Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegene. In dunne kraakbeenschijven, b. v. in de fijne kraakbeen deren Tan de neusvleugels en in de trochlea , valt dit onderscheid tusschen peripherische en centrale zelfstandigheid weg , en de geheele ruimte binnen de afgeplatte cellen is gelijkmatig met ronde, meestal eenvoudige cellen opgevuld, waartusschen de grondzelfstandigheid alleen smalle bruggen vormt. Aan de kraakbeenderen der ribben rangschikken zich de holten naar de as toe in overlangsche rijen , die op eene dwarse doorsnede straalvormig van de as naar deperipherie loopen; zij zijn ook hier eenigzins afgeplat, maar zoo , dat de breede vlakten in één vlak liggen, dat aan de verbindingsvlakte van het kraakbeen der ribben met de beenige rib evenwijdig is. Hierdoor wordt verklaard , waarom de ribbenkraakbeenderen ligt overdwars breken , en na eene zeer lange maceratie overdwars in dunne schijven worden opgelost (1).

Wij hebben reeds vermeld, dat zich in de grondzelfstandigheid van eenige echte kraakbeenderen bij volwassenen vrij bestendig vezels vormen ; hiertoe behooren voornamelijk de ribbenkraakbeenderen en het schildwijze kraakbeen. De grondzelfstandigheid vertoont zich eerst' hier en daar zeer fijn en glinsterend gestreept, als asbest; de strepen loopen tamelijk evenwijdig, in het schildwijze kraakbeen regt van de buitenvlakte van het kraakbeen naar binnen, in de ribbenkraakbeenderen straalvormig van de as naar den omtrek. Op de dwarse doorsnede , b. v. op een plaatje uit de rib, waarvan de vlakten aan de buitenste of binnenste oppervlakte van de rib evenwijdig zijn , doen zij zich als fijne, ronde korreltjes voor. Zij vormen bundels, die vaneenwijken, om de kraakbeenholten tusschen zich op te nemen. De vezelvorming komt op enkele plaatsen te voorschijn, en breidt zich van daar verder uit: aan de kraakbeenderen der ribben begint zij in de as, aan het schildwijze kraakbeen in enkele lamellen, en men ziet bij niet volmaakt effene doorsneden lichte, vormlooze en vezelige plaatsen met elkander afwisselen. In den beginne is de vezeling bleek, zeer fijn, en gelukt het niet enkele vezels af te scheiden; in latere tijdperken komen zij echter nu en dan aan den rand voor ; zij zijn stijf, niet dikker dan bindweefselfibrillen, en hebben somtijds het voorkomen , alsof zij uit in overlangsche rijen bij elkan-

(1) 11ÈRISSANT, Mém. de l'Acad. de Paris, 1748, p. 355.

Sluiten