Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pel ijke moedercel bevinden , niet eens afzonderlijk door bruggen van de grondzelfstandigheid gescheiden , maar liggen dikwijls in grootere lioopen digt bijeen (1).

De vezels van de eigenlijke vezelkraakbeenderen zijn van bindweefselvezels zeer onderscheiden, en onder de hier bijeengevoegde kraakbeenderen is er daarom geen , dat, zoo als men menigvuldig omtrent de vezelkraakbeenderen aannam , als een overgang tusschen kraakbeen en bindweefsel kan worden aangezien. Desniettemin komen er op eenige weinige plaatsen zulke overgangen voor. Reeds in de dunne bind weefsellagen van het synoviaalvlies, dat de gewrichtsvlakten bekleedt, ziet men altijd hier en daar kraakbeencellen ingestrooid ; in de carlilago inlerarlicularis van het borstbeen-sleutelbeens gewricht loopen afzonderlijke bindweefselbundels door de zelfstandigheid van het vezelkraakbeen. Aan den anderen kant ontmoet men enkele kraakbeencellen in de bandschijf van het onderkaaksgewricht, waar derhalve, indien men de kraakbeencellen voor het wezenlijke bestanddeel houdt, de tusschen-celstof als het ware door bindweefsel zou zijn verdrongen.

Een chemisch onderzoek van de afzondeilyke bestanddeelen van het kraakbeen is nog niet ingesteld ; noglans schijnen de cellen eene van de grondzelfstandigheid verschillende zamenstelling te bezitten. Het geheele kraakbeen, in water gekookt, wordt opgelost tot chondrine. Onderzoekt men het, alvorens de massa geheel en al is opgelost, dan vindt men de cellen nog onveranderd (-); hieruit volgt, dat de cellen door koking óf in het geheel niet óf veel langzamer veranderd worden dan de grondzelfstandigheid. De echte kraakbeenderen, waarin deze laatste het hoofdbestanddeel uitmaakt, worden om die reden reeds na eene koking van

15 18 uren volkomen tot gelatinerende chondrine opgelost; de

vezel-kraakbeenderen, waarin de cellen betrekkelijk de overhand hebben (oor-kraakbeenderen, epiglottis) , leveren eerst na eene

(1) De zoogenoemde vezelkraakbeenachtige massa, die de openingen tusschen liet wigge-, rots- en achterhoofdsheen aan de grondvlakte van den schedel opvalt, is even als de vroeger beschrevene handschijven ten onregte tot de kraakheendeien gebragt , en bestaat uit zuiver bindweefsel.

(2) Meckader, t. a. p. p. 4.

Sluiten