Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarin de kraakbeencellen inet echte bindweefselvezels vermengd liggen.

De kraakbeenige overtreksels der gewrichten zijn in den beginne van het gedeelte van het kraakbeen, dat verbeenen zal, niet afgescheiden. Gedurende de verbeening Jigt tusschen het kraakbeen en het reeds volkomen verbeende gedeelte eene aanzienlijke laag van vaten, en beide gedeelten zijn gemakkelijk van elkander te scheiden. Reide bezitten oneffene oppervlakten, uitpuilingen en uitholingen, waarmede zij in elkander grijpen. Naarmate de verbeening naar de epiphyses toe voortgaat, verdwijnt de vaatlaag en wordt de aanhechting vaster (1). Nog bij pasgeborenen dringen vrij wijde, maar weinig vertakte kanalen met bloedvaten van de buitenste en door het gewrichtsvlies overtrokkene oppervlakte in het kraakbeen in, en wel zoo diep, dat zij het verbeenende kraakbeen van de epiphysis bereiken (2). De synchondroses van het bekken ontstaan , volgens Meckel, Seiler en E. H. Weber (5), uit kraakbeenige overtreksels van de naar elkander toegekeerde beenderen. Bij pasgeborenen scheidt eene vliezige, ondoorschijnende , dunne plaat de kraakbeenderen van de beide schaambeenen van elkander.

Wanneer de vorming van het kraakbeen voltooid is , dan trekken zich de vaten daaruit terug, en bij volwassenen geschiedt de voeding alleen door middel der vaten van het aangrenzende been en perichondrium , misschien bij de gewrichtskraakbeenderen ook middellijk uit het synoviaalvocht, dat uit de vaten van het vrije gedeelte van het synoviaalvlies en van de zoogenoemde üaver'sche klieren afkomstig is. De opneming van plasma geschiedt derhalve door inzuiging, en daarbij schijnen de kraakbeenholten van bijzonder nut te zijn. De tusschenwervelbanden zwellen , wanneer zij in water liggen, in het midden meer op dan aan de randen, waar het aantal cellen kleiner is. Zoo als bekend is, worden de gemacereerde kraakbeenderen dikwijls rood gekleurd door inzuiging van bloedrood , en deze roode kleur is des te levendiger, naarmate de cellen in verhouding tot de grondzelfstandigheid meer

(t) klcoat, Afiat. gén. III, 102.

(2) E. H. Weber, Meckel's Arch. 1827, S. 235.

(3) t. 7.. p., S. 238,

' III. 16

Sluiten