Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook kraakbeencellen in de pezen en handen, waar deze zich aan liet been vasthechten ; zij dragen, doordien zij verheencn, tot den groei van het heen daar ter plaatse hij.

Donders (t. a. pl.) vond hij de vezelItraakheenderen , b.v. hij de ligamenla intervertebralia, in hun middelste gedeelte vele groepen van cellen en kernen in cene korrelige tusschenstof. Naar buiten toe ■wordt deze allengs vezelig ; de cellen en kernen verlengen zich, en liggen op rijen tusschen de kraakbeenvezels. Bij liet voldragen foetus zijn deze kraakbeenen voor bijna twee derde week en doorschijnend, gelijken op het corpus vitreum, en bevatten in een structuurloos struma cellen met kernen en kernligchaampjes, die in water opzwellen. Endogene celvorming werd niet waargenomen, maar wel eene vrije kern, die op eenigen afstand buiten eene groep cellen lag. In het peripherische gedeelte van het kraakbeen wordt de tusschenstof meer korrelig en eindelijk fijngevezeld; de cellen ordenen zich in rijen en worden smaller; er ontstaan tusschen de cellen onmiddellijk in de tusschenstof vezels en vrij tusschen hen in cellen; pas bij volwassenen treft men wc! eens twee kernen in ééne cel aan. Kleine stukjes tusschenwervelkraakbeen zijn, na gedurende een uur of vijf koken, reeds grootendeels opgelost, grootqre stukken na 48 uien nog niet; in het overgeblevene is naauwelijks nog een spoor van vezels te ontdekken; het afgefiltrcerde vocht bevat kernen en losse cellen, en reageer geheel als cliondrin. Later (1850) beschreef Kölliker in zijne ftlikrosk. Anat. de bestanddeelen der tusschenwervelhanden bij volwassenen en bij het kind, zonder ecliter beider verband aan te geven. Volgens Ratdke (FrOrief's Nolizen, 1847, IS. II, p. 205) is het vezelkraakbeen tusschen de wervels in den beginne van waar kraakbeen niet te onderscheiden. De synchondrosis sacro-iliaca bevat in het midden eene spleetvormige met eene soort van synovia gevulde ruimte; de kraakbeencellen zijn alle zeer groot, met vele dochtercellen en zeer verdikte wanden; de rondom dit gewricht liggende vezels brengt K. tot het bindweefsel, waartoe de vezels zijner vezelkraakbeenderen trouwens" meestal zouden beliooren , daar hij zich, ter bepaling hiervan , liever door de ontwikkelingsgeschiedenis dan door dc chemische reactie wil laten leiden.

Ratiike (t. a. pl.) en na hein Tom es (1848) noemen als eerste begin van het kraakbeen, welks ontwikkeling zij hij het kuiken nagingen, cellen met onduidelijke wanden, zamengehouden door eene zeer spaarzame tusschenstof, die later rijkelijker wordt, terwijl de cellen zich meer afscheiden en eindelijk in eene sphaerische of ovale holte van de tusschenstof komen te liggen. Later bevinden zich twee of meer cellen in eene dergelijke holte: hoe diè vermeerdering tot stand komt, wordt niet vermeld. Bkndt (184G) hield die holten voor moedercellen, eveneens GiimnER (1845), wijl zij soms aan den rand van het praeparaat uitsteken; waaruit echter Heicbert nog niet tot het aanwezig zijn van een celvliesje besluit, wijl dit verschijnsel voor hein in de stevigheid van den inhoud der holte hare verklaring vindt, en waarom dan ook eene vrij er tegen aan liggende kern gezien is kunnen worden.

I'révost en Lebert (Annales des Sc. nat. 181, Avr., p. 204) spoorden de wording der clwrdu dorsalis hij de kikvorsch na, en vonden in eene met fijne korrels doorzaaide tusschenstof eerst kernen, die later hlaasvormig werden en veel op

Sluiten