Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier en daar verstrooid liggen, met scherpe, dubbele omtrekken, overigens helderder dan de eigenlijke kraakbeenzelfstandigheid. Hun vorm en ligging neemt men gemakkelijker aan fijn geslepen beenplaatjes waar, tot wier beschrijving ik nu overga.

Aan fijn geslepene dwarse doorsneden van pijpbeendereri ziet men, wel is waar, ook eene onregelmatige lijn concentrisch met het lumen van ieder mergkanaaltje loopen, maar deze lijn is ver van het lumen van het mergkanaaltje verwijderd ; zij is de uiterste grens van deszelfs wand of van het daartoe behoorende stelsel van ineengeplaatste buizen. Tusschen deze lijn en het lumen van het mergkanaaltje zijn de concentrische strepen, die men bij beenkraakbeenderen ziet, niet waar te nemen. Evenmin kan men de beenzelfstandigheid, die de holten tusschen de afzonderlijke mergkanaaltjes aanvult, noch aan den uitersten rand der pijpbeenderen, noch aan overlangsche doorsneden daarvan ontdekken. Een spoor daarvan ontstaat nogtans door de plaatsing der ligchaampjes, die ik zoo even vermeld heb, en welke men gewoon is met den naam van beenligchaampjes te bestempelen.

De beenligchaampjes (Plaat fig. 9 ccc, fig. 10) zijn soms rond, of tamelijk gelijk van zijden en veelhoekig , veeltijds ovaal, aan beide einden puntig uitloopende, ook wel zeer in de lengte uitgerekt, zoodat hunne breedte slechts een zesde deel van hnnne lengte bedraagt. Wanneer zij meer lang dan breed zijn , dan ligt hunne langste afmeting op de dwarse doorsnede, in eene met den omtrek van het mergkanaaltje concentrische lijn, waarom zij , bij eene zekere lengte , een naar het mergkanaaltje. toegekeerden concaven boog beschrijven; op overlangsche doorsneden ziet men ze grootendeels parallel met de lengte-as, of een weinig schuins daarop geplaatst. Hunne kleine middellijn ligt altijd in een vlak, dat de as der mergkanaaltjes onder eenen regten hoek snijdt. Hun vorm komt derhalve met eene schijf of lens overeen, waarvan de platte vlakten aan de vlakken van de lamellen des beenkraakbeens parallel zijn , en die men zich als het ware tusschen de lamellen zaamgedrukt denken moet. De grootte, welke de beenligchaampje in de geslepene beenplaatjes vertoonen , is zeer verschillend ; dit hangt ten deele daarvan af, dat eene doorsnede de lensvormige ligchaampjes nu eens in het midden , dan weder nabij de peripherie treft;

Sluiten