Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoolang (le beenligchaampjes nog met de korrelige zelfstandigheid opgevuld zijn, ziet men van hen op iedere doorsnede, en derhalve naar alle zijden toe, uiterst fijneen dikwijls na haren oorsprong toe veelvuldig vertakte vezels uitstralen, die onmiddelijke voortzettingen der beenligchaampjes en van hetzelfde milcroskopische voorkomen zijn. Aan de puntig uitloopende einden gaat het beenligchaampje allengs in die vezels over; van de bolle randen ontspringen de laatste dadelijk zeer fijn , met eene doormeting van ongeveer 0,0003'" (1), en worden spoedig nog iels dunner (2). Yaak vloeijen de vezels, die van een ligchaampje uitgaan , met de vezels van nabuiige ligchaampjes zamen (Fig. 10, C). Op eenigen alstand van de ligchaampjes nemen alle vezels eenen parallellen loop; in de dwarse doorsneden staan zij regthoekig op de peripherie der mergkanaaltjes (Fig. 9), in de overlangsche doorsneden regthoekig op de lengte-as" der beenderen (Fig. 10, D). Door dezen loop en door hunne doormeting blijken deze vezels alle identisch te zijn met de fijne kanaaltjes, die in de lamellen van het beenkraakbeen werden aangetoond. De overeenkomst wordt volkomen, wanneer men beenplaatjes met zoutzuur behandelt, daar dit aan de vezels, even als aan de beenligchaampjes, de witte kleur ontneemt. De strepen blijven dan nog zigtbaar, maar haar zamenhang met de ligchaampjes wordt onduidelijk, zoo als dit ook voor doorsneden van het beenkraakbeen het geval is; de meeste ligchaampjes schijnen gladde of hoogstens eenigzins getande randen (Fig. 10, A) te hebben. Evenzoo verhouden zij zich in de ziekelijk verweekte, osteomala-

cische beenderen (o).

Wij hebben een eigendommelijk stelsel van openingen en van daaruit ontspringende buisjes in het kraakbeen leeren kennen, en tevens gezien, dat in deze openingen en buisjes de kalkaarde in den vorm van een fijn praecipitaat is afgezet. Waarschijnlijk is echter de in deze ruimte neergelegde kalkaarde slechts een deel van den in de beenderen bevatten kalk ; een ander deel schijnt zich in eene chemische verbinding met het kraakbeen te bevinden, op

(1) 0.000g—0,0008'" Kradse.

(2) 0.0002—0,0003' ' J. Muller. 0,0004'' k.b1use. 0.0007—0,0009"' brüns.

(3) J. Muller , Arehiv, 1836. S. VI.

Sluiten