Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

50 dagen waar (1). Sommering en Meckel stellen den aanvang der verbeening in de tweede maand. Het vroegst verbeenen , volgens Béclard, het sleutelbeen en de kaakbeenderenvervolgens die van den bovenarm en de dij, van den voorarm en hel been , de ribben, wervelen, schedelbeenderen; de knieschijf en de handwortel-beenderen verbeenen het laatst; het os pisiforme ee rst in het 6de—12de levensjaar. De middenstukken der pijpbeenderen toonen vroeger dan de epiphyses beenkernen. Deze opeenvolging ondergaat in vele gevallen verschillende wijzigingen. Men ziet echter, dat de verbeening niet in die volgorde voortgaat, in welke de kraakbeenderen te voorschijn kwamen.

De eerste beenkernen hebben overal, ook in de cilindrische beenderen, het weefsel der sponsachtige. Hunne oppervlakte is in den beginne onregelmatig, doch wordt spoedig met eene gladde beenplaat overtrokken , waardoor zij tegen de kraakbeenachtige deelen aan scherp ophouden. Deze laten daarom gemakkelijker, met eene voor het ongewapende oog glad schijnende oppervlakte, van de verbeende deelen los, even als de pulpa der in hare ontwikkeling veikeerende tand van de reeds verbeende tandscherfjes. De beenkernen van cilindrische beenderen breiden zich in de dikte spoedig tot aan de oppervlakte van het gevormde kraakbeen uit, en stellen dan korte cilinders met gladde eindvlakten daar (2). Aan de beenkernen van sponsachtige beenderen, de wervelligchamen , voetwortel-beenderen, enz., nam reeds Albinus de meest naar buiten gelegene laag van compacte beenstof waar (5). De beenpunten vergrooten zich, terwijl aan de oppervlakte laag voor laag zich in been omzet; tevens wordt van binnen , door eene voortgaande ineenvloeijing der holten en opslorping der tusschenwanden, de vroeger compacte zelfstandigheid sponsachtig, de cellen der sponsachtige zelfstandigheid vergrooten zich en vereenigen zich eindelijk in lange beenderen tot eene enkele doorloopende, maar zelden afgedeelde buis. Op gelijke wijze, maar altijd langzamer, groeit het been voort, wanneer de oorspronkelijke, kraakbeenachtige grondlaag

(1) Anat. gen. p. 461. E. H. Weder (Hiidedr. Anat. \, 333) merkt daarbij op, dat Béclard een embryo van 15 " lengte, voor 30—35 dagen oud houdt.

(2) E. II. Weder, IIildebr. Anat. F, 337.

(3) Acud. ridnot. I . VII r, 6.

Sluiten