Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

288

losgingen. Ueicöel [De oss. oriu atq. slruclura, 1760. Sabdifort, T/ies. II, 181)

onderscheidde vezels en buisjes; fijne buisjes loopen schuins door de plaatje's, en

zijn wijd ^genoeg om een paardenhaar te bevatten. Aibinüs [Adnut. Acad.

L. VII. 1 /6b. c. 16) gelooft, dat de platen der bastlaag door inkrimping van de

aanvankelijk sponsachtige zelfstandigheid ontstaan, en de voormalige cellen als

gangen overblijven, waarin niet alleen merg, inaar ook vaten liggen. Wat hij

t. a. p. L. III, 'lab. V , fie. 2, als vaten der beenderen afbeeldt, zijn de merrkanaaltjes.

Malpighi (Opp.posth. 1G97, p. 47) dacht zich daarentegen den grondvorm van bet been als een gelijkvormig net van vezels, in wier mazen het verhardende beensap werd afgezet, en Scarpa (Penü. oss. structura, 1799) verwierp platen en vezels; vat men voor vezels hield, zouden korte, takkige lijnen zijn, die onder meer of minder seheeve hoeken aan elkander zonden raken , en de beenderen zouden uit eene netvormige of celachtige zelfstandigheid bestaan , die in platte en pijpbeenderen volkomen gelijk en in bet compacte weefsel alleen wat digter is dan in het sponsachtige. Bicdat (Anat. gen. III, 23, 23j sloot zich aan 'het gevoelen van Maipjgui aan, en noemde de scheiding der beenderen in platen eene kunstmatige. IlowsniP (lUedtco-chirurg. transact. VI, 1815, p. 268. VII, p ''• 1816, p. 393) verklaarde zich voor Scabpa, en beschreef tevens de mergkanlaltjes juist en naauwkeuriger dan zijne voorgangers. Hij zag ze aan de oppervlakte van het been en in de mergholte zich openen, met een vaatrijk vlies omgeven, en met eene witte, wasachtige stof gevuld.

Intusschen vond het lamelleuze maaksel wederom verdedigers in Caldani (Strultura delle ossa, 1804) en HIedici (Opusc. scientif. di Bulogna, II, 1818, p. 93) die hoofdzakelijk beenderen van dieren tot hunne onderzoekingen aanwendde»; Marx (Ists, 1826, S. 1038) bewees ze door de entoptische kleuren van dunne beenplaatjes, en E. II. Weber (IIiidebr. Anat. I, 1830, S. 320) geeft het ten minste voor de beenderen van dieren toe, ofschoon hij het bij menschenbeenderen niet voor bewezen houdt.

Een nieuw tijdperk voor de bearbeiding van het beenweefsel begon door PobKINJB, onder wiens leiding de dissertatie van Deutscd {De penit. oss. structura, 1834) geschreven werd. Op doorsneden van verweekte beenderen werden hier voor de eerste maal de elementaire lamellen en hunne laagsgewijze zamenvoeging aangetoond ; in de elementaire lamellen ontdekte Dectsch de ledige kalkkanaalties" volgens de waarneming van Pobkinje beschreef hij de beenligchaampjes in uitgetrokken en versche beenderen, als ovale of ronde vlekken, die soms eenigeovereenkomst met sommige infusoriën hadden, terwijl uit een rond ligchaam een korte streep als een staart naar buiten kwam. De betcekenis der beenligchaampjes werd hem met duidelijk. De kanaaltjes der lamellen verklaart hij voor de receptacula der kalkaarde, zonder ze echter in gevulden toestand gezien te hebben ; veeleer vermoedt bij, dat juist de opvulling de oorzaak is, waarom hij ze in versche beenderen met vinden kon. Trevirahds (Beitr. II, 1835. S. 93) beschouwde de heenligchaampjes als tussenruimten tusschen de lamellen, waar de laatstgenoemde niet onmiddelijk op elkander liggen, maar eene vloeistof tusschen zich bevatten. Miescder {hifl. oss'um, 1836. p. 42) toonde aan, dat zij met kalk gevuld en

Sluiten