Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ting of verbeening, namelijk: 1° in kraakbeencellen alleen, 2° in lusselienslof alleen, 3" in beide te gelijk. Het laatste is liet meest gewone geval; de beide andere komen zeldzaam voor; het eerste scbijnt bij de gehoorsteentjes en liet hersenzand. het tweede bij de verheening der lens en somtijds bij die der ribbenkraakbeenderen, plaats te grijpen. Bescuouwt men bij de gewone verbeening cellen en tusschenstof afzonderlijk, dan ziet men de laatste in bet kraakbeen óf homogeen óf vezelig. In de homogene tusschenstof, vooral wanneer zij als voorlooper van vezeling ligte troebelheid vertoont, komt de kalkafzetting voor in den vorm van eene homogene beenstof, zonder (hit men afzonderlijke korrels bespeuren kan; of wel, er heeft eene afzetting van grovere of fijnere korrels plaats. Die kalkafzetting gaat verder voort, hetzij met eene vrij scherpe grenslijn telkens de kraakbeencellen, die zij op haren weg ontmoet, insluitende, of met een meer verspreid optreden van korrels , het talrijkst rondom de kraakbeencellen, die dan meestal zelve verbeenende, als het ware omkorst worden. Dikwijls verloopt de in het eerste geval genoemde grenslijn golfvormig, daar zij in de onmiddelijke nabijheid der cellen verder vooruitsteekt dan in de tusschengelegene vrije plaatsen der intercellulairstof; zij omvat de cellen reeds vroeger, ten bewijze, dat er tusschen de kalkafzetting en de cel een naauw verband bestaat, en nimmer blijft die lijn achter de cellen terug. Dit is de meest gewone en meest algemecne verbeening. De vezelig geworden tusschenstof verbeent evenzoo, ten minste wanneer de vezeling nog niet zoo ver gevorderd is, dat zij eene gebeele oplossing der cellen met zich heeft gesleept. Is de vezeling volkomen, dan blijven de vezels bestaan, of worden tot mergholten, doordien zij zich oplossen, of wel, zij gaan , wat echter zeer zeldzaam is, in de af. gezette kalkmassa's verloren. Deze verbeening treft men bij oudere, nog niet volwassen individuen aan. Soms is er in het heen nog een spoor van vezels of strepen over. De verbeening van met vezelig weefsel gemengde tusschenstof kan men het best nagaan aan pezen en banden, ter plaatse waar zij in been overgaan; de vezels worden door de verkalking ongedeerd voorbijgegaan, ofwel, zij schijnen zelve met de kalkmassa gedrenkt te zijn, en vormen later met de tusschenstof één continuum. Ook hier blijft soins een spoor van vezeling en strepen over.

Eene verbeening van elastisch kraakbeen zag Meter tot nog toe niet, hoogstens tusschen de elastische vezels in.

De verbeening der kraakbeencellen biedt eenige opmerkelijke verscheidenheden aan. De kalkafzetting heeft óf plaats vóórdat de wanden der cel verdikt zijn, óf na de verdikking, en neemt iu dat geval tegelijk den verdikten celwand in, die met het overige versmelt. Bij de verbeening van alleenstaande 'kraakbeencellen met verdikten wand, wordt er dikwijls binnen in de cel kalk afgezet, zoo b. v. aan de tuba Eustachii, aan ribbenkraakbeenderen, aan die van de larynx.

Komt het tot verbeening, alvorens de celwand verdikt is, dan zet de kalk zich binnen in de cel af, hetzij fijn-korrelig, b.v. in de larynx kraakbeen deren, hetzij grofkorrelig , b. v. in de symphyses. Die korrels vloeijen tot een dikken celwand ineen, wier holte open blijft, of soms later nog wordt aangevuld, of wel de korrels nemen op eens de gebeele holte in (gewrichts-, symphysis-, ribben-kraakbeen); zoo kunnen moeder- en dochter-cellen, ja eene geheele cellenkolonie verkalken, waarbij de wanden der dochter-cellen met die der moeder en met de tusschenstof ver-

Sluiten