Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan overlangsche sneedjes van tandbeen of van tandkraakbeen steken de buisjes dikwijls een eind ver uit: zij zijn wit, glinsterend en slijt in liet tandbeen; donker, fijngekronkeld, of gebogen als dunne vezels van elastisch weefsel, wanneer de kalkaarde er uitgetrokken is. ])e middellijn dezer buizen is gelijk aan de middellijn van liet lurnen op dwarssneedjes ter zelfder plaatse. Zij moest echter, gelijk van zelve spreekt, veel langer zijn, wanneer de ringen rondom het lumen tot den wand der buisjes behoorden.

Ik heb boven de grondzelfstandigheid van het tandbeen homogeen genoemd. Zij is aldus tot nog toe van de meeste waarnemers beschreven ; zoo vertoont zij zich ook aan fijn geslepen blaadjes van tandbeen op de overlangsclie en op de dwarse doorsnede, en op de dwarse doorsnede van het tandkraakbeen vertoont zich slechts zelden een net van fijne lijnen tusschen de buisjes, hetgeen op eenen meer zamengestelden bouw wijst.

Daarentegen is het aan overlangsche sneden gemakkelijk Ie erkennen, dat het geheele tandkraakbeen uit vezels bestaat, welke in dezelfde rigling verloopen als de tandkanaaltjes, zoodat elk kanaaltje telkens tusschen twee vezels in ligt (PI. V, fig. lij. Weekt men het tandkraakbeen slechts korten tijd in water, dan laat het zich met weinig moeite in vezels scheuren, die meestal, van de tandholte naar de oppervlakte toe , wigvormig in breedte en dikte toenemen. Elk dezer vezels is een bundel van inikroskopische vezels (a n), welke in kleur met de vezels van den middelsten slagaderrok, in vorm met de buitenste vezels van de lens veel overeenkomst hebben. Zij zijn eenigzins afgeplat, tot 0,0029"' breed, bleek , korrelig, en vooral aan de zijdelingsche randen , waar zij tegen elkander liggen, ruw, bijna gekarteld. Door azijnzuur worden zij eenigzins bleeker, maar lossen zij zich niet op.

Dat zij zich in tweeën splitsen of vertakken, heb ik niet gezien, en moet ik dus, wanneer het al eens moge voorkomen, voor eene zeldzame uitzondering houden. Wanneer derhalve de afgescheurde vezelbundels van binnen naar buiten in dikte toenemen, zoo kan dit niet het gevolg eener vermeerdering van vezels door deeling zijn, maar ik geloof veeleer, dal tusschen de vezels, welke het digtst bij de tandholte ontspringen, van plaats tol plaats nieuwe vezels worden ingeschoven, of omgekeerd, dat niet alle vezels van

Sluiten