Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merkbare toe- of afname van hunne dikte. Krause (1) kon de opgespoten galkanalen gewoonlijk nog tot eene dikte van 0,05"' tot hoogstens 0,026 " tusschen de lobjes erkennen; dan echter onttrokken zij zich plotseling aan het oog en aan het instrument, dat ze vervolgde, en schenen gebarsten te zijn. Eenmaal, aan de lever van een egel, toen, bij de injectie door middel van de luchtpomp, de lucht met groot geweld in de lever was gedrongen, vertoonden de lobjes zich aan de oppervlakte doorlucht uitgezet, en bleken bij matige vergrooting zamengesteld te zijn uit regelmatige, ronde, digt opeengepakte en door lucht sterk uitgezette blaasjes van 0,021 — 0,025'" middellijn. De opgeblazen blaasjes met het mes verder in de diepte te vervolgen, was natuurlijk niet mogelijk, en zoo doende blijft het steeds niet meer dan eene gissing, hoe waarschijnlijk Krause het ook tracht te maken , dat de blaasjes de verwijde uiteinden der galkanaaltjes zijn. In geen geval waren zij identisch met de blaasjes, die hij in de versche lever vond, en van welke zoo straks sprake zal zijn. Yooraf moeten wij nog gewagen van de opgave van Kiernan (2), volgens wien de zelfstandigheid der leverlobjes geheel uit een plexus van galvaten bestaat; deze zouden aan de oppervlakte der lobjes zich tot enkele takjes zamenvoegen, en deze takken zouden inmonden in de grootere galkanaaltjes, welke, benevens de peripherische bloedvaten en omgeven van bindweefsel, in de ruimten tusschen de lobjes zouden verloopen en zich in de diepte begeven. Bij de verklaring der afbeelding (o) bekent echter Kiernan, dat zijne beschrijving niet op werkelijk zien berust. Hij zag nimmer anastomoseren van galbuisjes op de gezegde wijze; hij besluit alleen dat dit zoo is, op grond van het overgaan der injectiemassa uit het galkanaal van het eene leverlobje in dat van een ander, en wijl in het ligam. laterale grootere galkanalen met elkander in gemeenschap staan. 1 olgens Ferrein's ontdekking verloopen namelijk talrijke galkanaaltjes, van den rand der lever af, in een, tusschen die platen van het buik vlies, welke het ligam. laterale vormen , en breiden zich

(1) MÜIL. Arch. 1837. ]>. 13.

(2) Philos. Transact. 1833, PI. II, p. 741,

(3) t. a. pl. Pl. XXIII, %. 3, overgenomen bij R. Wacner, Icon. })hys. Pl. XVIII, fi3. i.

Sluiten