Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan laat zich duidelijk van den donkeren inhoud de afzonderlijke celwand onderscheiden (dezelfde). Aan het niet bestendig voor¬

komen van vet in de levercellen beantwoordt het afwisselende vet¬

gehalte der gal. Hali.mann's chemisch onderzoek der levercellen laat geen besluit omtrent hunnen inhoud toe ; zij houden zich goed in koud en in kokend water, worden ruwer, krimpen eenigzins in aether, alkohol en zuren, en lossen zich op in verdunde bijtende kali-oplossing ; dit alles laat zich verklaren uit de reactiën van het celvliesje.

Toegegeven, dat de cellen het secrelum der lever bevatten , dan blijft het toch aan verdere nasporingen overgelaten, om uit te maken, hoe het uit de cellen in de uitlozingsbuizen is geraakt, en hoe deze zich tot gene verhouden. Ik wil slechts eenige der mogelijke wijzen, waarop dit geschiedt, aanvoeren. Het kan zijn, dat de cellen bij rijen tot buizen ineenvloeijen , zich zoo doende in elkander en verder in de blinde einden van de uitlozingsbuizen der lever openen. Hoewel dit met de uitkomsten der injectie van Müller het ineest overeen zou stemmen, houd ik het echter voor onwaarschijnlijk, omdat men dan veel vaker die bij rijen ineenvloeijende cellen zien moest, dan werkelijk het geval is. Het was verder denkbaar , dat de cellen zich elk voor zich en op alle punten in de galkanalen openen, en dan even als follikels tegen deze aanzaten. Dergelijke lollikels worden aan de grontere galkanalen beschreven, waar men die voor slijm follikels houdt; op de binnenvlakte der lijnere galkanaaltjes komen twee rijen digt opeenstaande openingen voor, welke Kiernan (1) insgelijks voor mondjes van slijmzakjes verklaart, zonder daarvoor gronden aan te geven. Vormen de fijnste galkanaaltjes werkelijk plexus tusschen de lobjes, dan zou men moeten aannemen , dat de buitenste cellen van elk lobje het eerst met de galkanaaltjes in verbinding komen en zich in hen ontlasten, en dat allengs nieuwe cellên uit het midden van de lobjes opvolgend voortgroeijen. Eene derde vooronderstelling, welke mij het waarschijnlijkst voorkomt, is .de volgende : men denkt zich het parenchym der lever als eene vast opeengedrongene van vaten doorloopen massa van cellen , welke alleen

(1) t. a pl. [i. 723.

Sluiten