Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van liet op sommige plekken ontbreken der gele zelfstandigheid, waardoor de 100de korrels in elkander loopen. Dat dit kleurverschil niet alleen van de bloedvaten , maar ook van bet leverparenebym zelf afhangt, bleek Theile daaruit, dat., na ruimschoots water in de lever gespoten te hebben, hij), even als vroeger Mappes, het gemarmerde aanzien der lever niet verdwijnen zag; verder zag hij I beider zelfstandigheid onder het mikroskoop verschillend gekleurd, terwijl beider capillaire bloedvaten zich toch op dezelfde wijze voordeden. Bij het onderzoek van versche en van in wijngeest verharde lever zag hij rijen van levercellen, die : netvormig vereenigd en meestal straalsgewijze gerangschikt waren. Uit de dikte dier rijen mag men besluiten, dat zij, wanneer de cellen vrij groot zijn, uit niet | meer dan ééne in de breedte bestaan.

Naauwkeuriger dan zijne voorgangers beschrijft Theile de zoogenaamde galbuisklieren, wier openingen in dubbele rijen in den wand der galbuizen , zoo ver men die met de schaar vervolgen kan, gelegen zijn. Zij bestaan volgens Ijfin uit uitgerekte, in korte bogten verloopende kanalen , aan wier omtrek kleine uitholingen met ges teelde trosjes afwisselen; deze verdeelen zich in takjes, welke met die deinaastbij gelegene klieren anastomoseren (Wkber's casa aberrantia). In de fijnere galbuizen vindt men naast de in de lengte uitgerekte klieren ook eenvoudige trosjes. Inde porla he palis, dikker en grooter, zijn die klieren meer zaamgesteld en monden er soms 4 in ééne opening uit. In bet onderste gedeelte van den ductus cijsticus komen zij nog voor; in het hooger op gelegene deel er van en in de galblaas ontbreken zij. Of die klieren gal afzonderen, zoo als Kraose wil, dan wel slijm, zoo als Theile en Kiernan gelooven, is voor liet oogenblik nog onbeslist. Theile , die huiten de eigenlijke levermassa kanaaltjes in liet ligamentum triangulare sinistum enz. zag, welke zamenhingen met galbuizen, weerlegt daarmede Müller's vermoeden, dat het bloedvaten zijn; hij laat echter in het midden, of deze galbuisjes onontwikkeld dan wel reeds geatropbieerd zijn.

E. II. Weber heeft zich (1850) aan de praeparaten van Theile overtuigd , dat diens slijmkliereu der galbuizen identisch zijn met zijne vasa aberrantia; in diens opvatting deelt bij evenmin als Wedl (Veber die Iraubenjörmigen Gallengangsdriisen. Sitzungs-Bericht der K. K. Acad. 1850, p. 481), welke de in dubbele rijen staande openingen voor te groot houdt om de mondjes van die slijmkliertjes te kunnen zijn, die zelfs bij het varken niet boven 0,03''' afmeting hebben. Ook zag Wedl nimmer het anastomoseren dier gangen met de slijmkliertjes. Deze kliertjes komen bij den mensch in de drie hoofdgalbuizen voor, en verder op in de takken, tot zoo ver men die met de schaar kan vervolgen; in de laatste is hare uitlozingsbnis niet meer dan 0,009'" breed. De grootste rondachtige treft men in den ductus choledochus aan; zij meten daar 0,6"' in middellijn. De klierblaasjes zijn bij groepjes, even als ook de klier in haar geheel, door een vezelig omhulsel omgeven. Bij den mensch zijn de cellen meestal reeds door rotting vernietigd, en daardoor is dan ook de klier moeijelijker op te sporen.

Hoe de uiteinden der galbuizen met het net van levercellen in verband staa», daaromtrent bepaalt ook Theile zich alleen tot het opperen van eenig vermoeden. Hij neemt aan, dat het galvatennct, wat juist in het bloedvatennet past, uit eene «iemhrana propria en daarin besloten liggende levercellen bestaat. De mem-

24*

Sluiten