Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren er als trossen uitzien , met dit onderscheid alleen, dat de druiven onmiddellijk met elkander ineenvloeijen, en niet door steeltjes zamenhangen; de celletjes hebben gedroogd 0,051—0,038' in de kleinste, 0,069—0,076'" in de grootste afmeting ; de grootste

Wasmann zouden zij zich in zuiver en in zuurachtig water oplossen, hetgeen ik betwijfel.

Wasmann's acini zijn onze klicrblaasjcs. Tusschen zijne opgave en mijne waarneming bestaat alleen dit verschil, dat Wasmann de klierblaasjes tot aan de oppervlakte toe afzonderlijk doet voortbestaan, en dan pas enkele zicli openen laat, terwijl zij mij toeschenen tot eenc buisvormige klier ineen te vloeijen. Wasmann stelde zijne onderzoekingen in het werk aan doorsneden van gedroogd, vooraf met gom-oplossing doortrokken inaagslijmvlies. Of hij daardoor in ccne dwaling vervallen is, of dat aan versche klieren, zoo als ik ze onderzocht, de grenzen der blaasjes minder waarneembaar zijn en mij daardoor ontsnapten, dit zullen latere nasporingen moeten beslissen. Todd [bondon Med. Gaz. 1839, Dcc. p. 427) geeft in fig. 4 eene afbeelding van een dwarse doorsnede van het slijmvlies der maag, die voor Wasmann's voorstelling schijnt te pleiten. liet zijn in hoopjes van 2—8 bijecnliggende, volkomen van elkander afgescheiden, ronde hgekige vlekken, met een donker punt in het midden, die Todd voor de doorsneden van buisjes houdt; het zijn echter blijkbaar niets anders dan doorsneden van blaasjes, en pas de grenslijn, die een hoopje insluit, beantwoordt aan den wand der buisjes, of volgens Wasmann der zuiltjes, liet is intussclien mogelijk, dat Todd's dwarse doorsnede van eene dieper gelegen plek genomen is, waar de blaasjes nog afgezonderd waren. Wagner (Icones. phys. Tab. XVI, fin-. 1, B) beeldt de maagklieren van den mensch trosvormig af, maar schijnt die gedaante voor een gevolg van drukking te houden [Phys. p. 190).

[Vervolg.) Betrekkelijk de maagsapklieren is R. Wagner van zijne pas in den tekst aangevoerde meening, dat hare uitlozingsbuizen zich in verscheidene armen zouden splitsen, teruggekomen, en beschrijft ze in zijne Physiologie (1845) te regt als eenvoudige, aan elkander evenwijdig loopende, vliezige buizen, met eenigzins gegolfde en hier en daar zakvormig uitgezette wanden.

Terwijl Henle's beschrijving der maagsapklieren aan bet onderzoek van konijnen ontleend is, schijnt die van Todd en Bowman , welke noch met die van andere onderzoekers, noch met de vroegere van Todd zelve overeenkomt, naar liet onderzoek van honden genomen te zijn. Over de geheele inwendige oppervlakte der maag zijn onregelmatige groefjes van ongeveer 0,06"' middellijn verspreid, reeds met het bloote oog waarneembaar, en met slijm, die men moet wegstrijken , aangevuld. Meestal gaan zij niet dieper dan tot '/» of '/s van de dikte van het slijmvlies; aan den pylorus zijn zij wijder en dieper; het epitlielium, dat die groefjes bekleedt, is cilindrisch. Het kwam hem voor, dat de epitheliumcellen, tot rijpheid gekomen, aan hare vrije einden zich openen en haren inhoud ontlasten; die vrijgevorden inhoud zou dan als slijm de groefjes aanvul-

Sluiten