Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene of andere organische of anorganische stof uit de wei van het secretum. Ontwikkelde cellen, wier kern zich in azijnzuur niet meer splitsen laat, komen onder de slijmligchaampjes zelden voor. Misschien zijn zij afkomstig uit zulke klierblaasjes, in welke de endogene cellen een epithelium begonnen daar te stellen. Bij stilstaan zetten zich de slijmligchaampjes , tenminste de grootere, op den bodem van het vat af, en vormen het grootste deel van het bezinksel, dat uit verscheidene excreta als bijgemengd slijm beschreven wordt (1).

(1) De bolletjes van het speeksel werden liet eerst door Ascn (Plat. spermalis 1756, p. 78) en door Leedweneoek (Philosoph. Transact. No. 106. 1764, p. 121) gezien, vervolgens door Tiedeiiann (T. en Gmeun, Verdnuung. 1826. 1. 6), E. H. Weder (Hildebb. Anut. I, 1830. p. 164), J. Muller (Phys. I. 508), Krause (Anat. I. 2te Abth. 1836. p. 450) en Sebastian, (van Setten De salivu, 1837. p. 12) nogmaals gevonden. Weber zag die rond, van ongelijke grootte; die in bet midden liggen , van O.OOi—0,005"'; zij zwollen in water op, verdeelden zich in kleinere stukjes, werden daarbij moerbeivormig, en vertoonden in het midden eene op de kern der bloedligchaampjes gelijkende vlek; volgens Kracse meten zij 0,0012—0,0025"'. Sebastian nam ze waar in bet speeksel,

'dat uit een fistel was opgevangen, en bewees daardoor, dat zij niet pas in den mond er bij gemengd worden. Niettemin gelooft hij, dat zij van de slijmligchaampjes naauwelijks onderscheiden zijn, en Krause betitelt ze zelfs met dien naam.

Gorn ontdekte de slijmligchaampjes (De piluita. 1748. p. 11), en doelde ook reeds op hunne kern (singulorum centra luciduni quid circumqiiaqite radians exhiben(). Zij werden gemeten door Weber (t. a. pl., p. 162), R. Wagner (Mém, microm. 1833) en Krause (Anat. I, 88). De opgaven dobberen tusschen 0,001 en 0,01"'. Dit hangt daarvan af, dat alles , wat in het slijm drijft, van de elementair-korrelljes af tot aan de epitheliumcellen der mondholte toe, onder den naam van slijmligchaampjes wordt bijeen genomen.

In het zweet onderscheidde Gurlt (Physiol. 1837, p. 195), behalve kleine stukjes der opperhuid: 1°. ligchaampjes van 0,0009—0003"', somtijds tot grootere bollen vereenigd, en 2°. kernhoudende, ten deele platte ligchaampjes van 0 007—0,028"'. De laatste schijnen schilfers der opperhuid, de eerste elementairkorrcltjes en slijmligchaampjes te zijn.

De nieuwere nasporingen betreffende de opperhuid leidden vooreerst tot het onderscheiden van epitheliumcellen en slijmligchaampjes, zonder welke een meer naauwkeurig onderzoek der laatste niet mogelijk was. Ten aanzien van hun fijneren bouw hangt de geschiedenis der slijmligchaampjes innig zamen met de geschiedenis der etterligchaampjes, waarover, voor zoo ver het noodig was ons daarmede in te laten, in het algemeene deel gehandeld werd. Inderdaad zijn beide in morphologischen zin met elkander identisch. In hoe verre zij naar wording en beteekenis gescheiden moeten worden, zal later worden nagegaan.

Sluiten