Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Behalve de zaaddraden mag men verwachten ia het zaad, zoo als het ontlast wordt, slijmligchaampjes uit de prostata en uit de Cowper'sche klieren te vinden; hunne hoeveelheid is echter naar

Hoe belangrijk de vergelijking der menigvuldige vormen van zaaddraden door liet gelieele dierenrijk zij, moet ik mij hier toch, hij de keuze uit hetgeen de onderzoekingen hieromtrent geleerd hebben, alleen beperken tot de resultaten, die physiologisch gewigtig zijn. Het gewigtigste is, dat die bewegelijke draden zoo algemeen in het vruchtbare zaad der dieren en, gelijk het schijnt, ook bij de planten voorkomen. Onder de dieren ontbreken zij alleen nog aan de klasse der infusoria, want zelfs bij de aan de raderdiertjes naauw verwante arctiscon heelt DoyÈbe ze onlangs ontdekt (Aitn. d. sc. nat. 2e série, XIV, 354). Interessant, is verder de door alle dierklassen (en zelfs ook bij de planten) algemeen verbreide lineaire vorm der hestanddeelen van het zaad; zij zijn óf volkomen liaarvormig, aan beide einden puntig uitloopend, óf aan het eene, het voorste einde, met een opgezwollen stuk, een soort van ligchaain voorzien, dat, vergeleken met het haarvormig gedeelte (de staart), altijd maar zeer kort is; het ligchaam is eene langwerpige of ovale verdikking van den draad (bij hagedissen en slangen), gegolfd of spiraalvormig gebogen (vogels), of het is duidelijk afgeknot, zoo als bij de zoogdieren envisschen. Eene uitzondering maken alleen de kreeften , voor zoo verre de bestanddeelen, die men bij hen in de ballen aantreft, noch draadvormig, noch bewegelijk zijn. I)e grondvorm is hier eene schijf, uit wier rand een of meer draden uitloopen (Henle , Müll. Arch. 1835, p 603;. v. Siebold, t. z. p. 1836, p. 26; Valentin, Repert. 1837, p. 39; Kölliker, Beitr. p. 7—14). Bij Mysis zag intusschen v. Siebold (Müll. Arch. 1837 , p. 433) haarvormige zaaddraden. Lallemahd (Atin. d. Sc. nat. 2e sér. XV, 80) verhaalt bij een gewone, in den coitus verkeerende krabbe fijne kapsels gevonden.te hebben. Jeder van deze bevatte 80—100 zeer kleine, peervormige zaaddiertjes, die geheel onbewegelijk in hun omhulsel lagen, en, nadat dit gescheurd was, eerst langzaam en later sneller zich bewogen. Deze zaadkapsels, die geheel en al eenvoudig zouden zijn, houdt hij voor identisch met de stralendragende schijfjes van anderecrustaoën, en noemt ook deze »kapsels", zonder daarin zaaddiertjes gezien te hebben. Wantrouwen tegen Lallemand's mededeelingen , boe welkom zij overigens mogen zijn, boezemt mij 1 zijn beweren in, dat in het begin der zaadkanaaltjes nog geene kapsels, maar vrije zaaddiertjes lagen, hetgeen bepaald onjuist is, en 2o.dat volgens K.öluker de straaldragende schijven zelve bij hoopjes in kapsels besloten zijn. Misschien waren zij het, die Lallemand bij de krab zag. Op de kapsels der zaaddraden moet ik later nog eens terugkomen.

Zonder dat de verschillende vormen der zaaddraden streng aan de verschillende dierklassen gebonden mogen zijn, is toch meestal één bepaalde vorm hij eene klasse of orde de heerschende, en binnen dezen hoofdvorm komen weder kleine, maar standvastige verscheidenheden, zelfs bij de naauwst aan elkander verwante soorten , voor.

Een feit van de hoogste physiologisehe beteekenis is eindelijk de door Wagneu waargenomen misvorming der zaaddraden bij bastaards van vogels.

Sluiten