Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IEMAND (1) nam in het zaad van mannen, die door polluties verzwakt waren, en in den bal Tan lijken, glinsterende puntjes waar, die 10 maal kleiner dan bloed- of slijmligchaampjes waren, en die waarschijnlijk ook hier te huis behooren. Op eene andere plaats spreekt hij Tan Trijwillige bewegingen Tan kleine, ronde, glinsterende ligchaampjes in den bal Tan een coluber; op deze ligchaampjes moet ik straks nog terugkomen.

Valentin, alsmede Bischoff, die in de gelegenheid waren, de lijken Tan krachtige teregtgestelde misdadigers, terstond na den dood, te onderzoeken, konden in de ballen geene of slechts weinige zaaddraden ontdekken. Daarentegen zag Lampferhoff zaaddraden in leTendige beweging in den bal Tan een zelfmoordenaar; J. Davv Tond die onder 20 gevallen tweemaal, Lallemand onder 53 geTallen tweemaal; ook in den bijbal waren er geene aanwezig, en eerst in het vas deferens en in de zaadblaasjes Tertoonden zij zich. Bij menschen-lijken , en zelfs bij loopsche, pas gestorTen dieren , Terkreeg ik vaak uit het vas deferens voorwerpen, die ik in den bal te vergeefs gezocht had. Deze bevat alzoo de vroegere ontwikkelingstrappen der zaaddraden, tot wier beschrijTing ik thans overga.

Wanneer ik de tot op het oogenblik Toorhanden onderzoekingen, waarTan in de aanteekening nader rekenschap gegeTen zal worden , onder elkander Tergelijk en door elkander aanTul tot een geheel, dan geloof ik den Tolgenden ontwikkelingsgang, als aan alle gewenrelde dieren gemeenschappelijk, te kunnen opstellen. Het eerst zijn er fijn- of grofkorrelige bolletjes Tan 0,0053—0,005"' middellijn , waaromtrent Wagner het onbeslist laat, of zij nieuwe bestanddeelen, dan wel of zij veranderde epitheliumcellen zijn. Ik vermoed het eerste, dewijl de epitheliumcellen, ten minste bij de zoogdieren, cylindrisch zijn. De bolletjes worden grooter; vele er van hebben een donker ligchaampje in het midden. (2) Zij worden allengs bleeker, en nu vertoont zich binnen in hen een fijnkorrelig bolletje , verTolgens een tweede, en terwijl de oorspronkelijke blaas, die ik moedercel wil noemen, steeds meer en meer

(1) t. a. p. p. 38, 46.

(2) Wagner, in Muu. Ardi. 1836, PI. IX. 6. Icon. phys. Tab. I, fig. V. c.

Sluiten