Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het Guineesche biggetje en bij de muis zou, volgens Kölliker's beschrijving, de ontwikkeling slechts daarin van de pasbeschrevene gaan afwijken , dat de moedercel vroeger wordt opgelost dan de zaaddraden elk hunne eigene cel verlaten. Hij zag in hunne vorming nog verkeerende zaaddraden meestal in de vrijliggende, zelden in de ingeslotene cellen. Intusschen zou dit ook daarvan kunnen afhangen, dat de moedercel, die rijpere dochtercellen insluit, gemakkelijker verbroken wordt of uiteen berst. Bij het konijn en bij den beer zag Valentin (I) hoopen zaaddraden in cysten (moedercellen), en Kölliker trof zelfs bij de muis enkele malen twee zaaddraden in eene grootere cel aan.

Zoolang de zaaddraden in hunne afzonderlijke cel zijn gehuld, liggen zij geheel rustig; slechts eenmaal geloofde Kölliker eene ligte schokkende beweging aan het eind van het draadvormig gedeelte binnen de cel te hebben opgemerkt. Ook dan, wanneer zij na oplossing der dochtercel in de moedercel geraken , en zelfs wanneer zij ook deze verlaten hebben, vertoonen zij , zoolang zij in den bal liggen, geene beweging. Eerst in het vas deferens, waar zij misschien nog wat in omvang toenemen, beginnen hunne bewegingen. (2)

PI. IX, fig. 8, a. Gerber , Allg. dimt., fig. 233. R. Wagner [Icoti.pliys. Tab. I, fig. 11, c) beeldt ook uit den menschelijken bal zulke groepen af; indien ccbter de afbeelding juist is, dan liggen de zaaddraden hier niet, even als bij liet Guineesche biggelje, het konijn cni., met de platte vlakten op elkander, maar raken alleen met de randen aan elkander.

(1) Repen 1837, p. 145.

(2) Peltier (£'Inslitut, N°. 22G, 1838) beweert in den jaargang 1834 van de Sociité des sciences naturelles ontdekkingen omtrent de ontwikkeling der zaaddraden bij den kikvorsch gedaan te hebben. In den bal van jonge dieren bevinden zich , volgens hem , bolletjes met een korreligen nucleus; later verdwijnt het omhulsel, de nucleus wordt vrij, neemt eene peervormige gedaante aan , terwijl zich een aanhangsel er aan vormt, dat uit strooken bestaat, die elk uit een korreltje van den nucleus hunnen oorsprong nemen; die korreltjes worden dus de koppen, en die strooken zijn de staarten der zaaddraden. Volgens de nieuwere ■waarnemingen moet men deze gehcele voorstelling voor onjuist houden, en in allen gevalle komt dus aan R. Wagner de prioriteit der hier medegedeelde ontdekkingen toe. Wagner maakte in Mull. Arch. 1833 en in de Fragmenten zur Zeugung (1831) de ontwikkeling der zaaddraden van verscheidene vogels bekend (vergelijk de bijeenstelling daarvan in zijne Physiol. p. 20). De eerste en

Sluiten