Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van teruggang bij zangvogels nagegaan en op de volgende wijze beschreven: Ten tijde van het ruijen bevatten de va sa deferentia nog zaad, maar de zaaddraden zijn onbewegelijk en kwijnend.

liiemhouders weder terugbreng, waaruit zij zich te vroeg hebben losgemaakt. Met de verschillende ontwikkelingstypen, die Kölliker heeft opgesteld, zouden dus type 3 en 4 zamenvallen.

Lallemand (t. a. pl. p. 79) houdt de blaas, die de groepen van rijpe zaaddraden in den bal der vogels omgeeft, voor een uit de taaije vloeistof binnen de zaadkanaaltjes gevormd overtreksel. Zijne eigendommei ij ke beschouwingen over de ontwikkeling der zaaddraden bij de zoogdieren, de vogels en de reptiliën, en in het bijzonder der adders (p. 91), mag ik des te minder met stilzwijgen voorbijgaan, dewijl hij mi lm; Edwards , als deel genomen hebbende aan zijne onderzoekingen, aanhaalt. De ronde, glinsterende en vrij bewegelijke bolletjes in den bal, op welke reeds boven gelet is, zouden peervormig worden en een beginsel van een staart doen uitspruiten; in het begin van het vas defcrens was de kop onregelmatig en zeer doorschijnend, en vertoonde eene centrale kern, die op dit glinsterende bolletje geleek. Rondom het laatste had zich dus het overige gedeelte der zaaddraden gevormd.

De ontwikkeling der zaaddraden bij de ongewervelde dieren is nog niet zoo duidelijk. Dij de insecten liggen de zaaddraden in bundels, en de bundels zijn door een dun omhulsel omgeven, dat in water berst (v. Siebold, Müll. Arch. 183G , p- 18). AVelligt beantwoordt dit aan de moedercellen der gewervelde dieren; maar van de veranderingen van den inhoud er van is niets bekend. In den bal der tnedusae zag v. Siebold de blaasjes met eene fijn korrelige massa gevuld, die bij verdere ontwikkeling een gestreept aanzien verkreeg en zich tot bundels van zaaddraden omvormde (Beitr. p. 17). De haarvormige zaaddraden van vele ongewervelde dieren zijn, ook zelfs indien zij gedurende de paring worden uitgeworpen , in zeer zaamgestelde zaadkapsels bevat. Ik herinner aan de veel besprokene Needham'sche ligchaampjes der Cephalopoden (Philippi, in Müll. Arch. 1839, p. 301; v. Siebold, Beitr. p. 51; Carus, N. A. ISal. cur. Vol. XIX, Pl. I, p. 1; K.r0nn, in Fror. Notiz. N°. 244; Peters, in Müll. Arch. 1840, p. 98; Milne Edwards, Annal. des Sc. Nat. 2e Sér. XIII, 193) en de onlangs door v. Siebold ontdekte wonderlijke zaadpatronen van den cyclops castor [Beitr. p. 3G). Vormen ook deze houders zich het eerst, en ontstaan de zaaddraden binnen in hen ? Zal men ze als verder ontwikkelde moedercellen beschouwen? Nog ingewikkelder wordt de zaak bij de crustaceën, waar de straaldragende schijfjes, die welligt zelve zaadkapsels zijn, binnen in vliezige buizen liggen, die als het ware met een zuigmondje op eene vliezige vlakte, gelijk vruchten aan vertakte steelen, hangen. (Zie Külliker , t. a. p. p. 9 en volg.)

Wanneer overigens in de aangevoerde gevallen de ongewervelde dieren met de gewervelde daarin overeenstemmen, dat de zaaddraden binnen in cellen of cysten ontstaan, schijnt toch de meer gewone gang van zaken deze te zijn, dat de zaaddraden zich vrij , elk uit een bolletje, ontwikkelen , welke bolletjes óf aan de opper-

Sluiten