Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'Valeniin (1) deed de belangrijke ontdekking, dat zij niet door verlenging en zijdelingsche vertakking van een hoofdkanaal, maar op de volgende wijze ontstaan: in de-.nabijheid van het hoofdkanaal , of van een grooteren tak er van, vormen zich zelfstandig langwerpige , soms naar de peripherie toe opgezwollen digtere ophoopingen van stof, welke eerst in het geheel in geen verband staan met het hoofdkanaal, ja zelfs hiervan een kleinen of iets grooteren afstand verwijderd liggen. Deze verbinden zich nu met het hoofdkanaal of met de vertakkingen daarvan. Op de ontwikkeling van de uitlozingsbuis schijnt ook betrekking te hebben, wat Valeivti;v (2) later over het ontstaan der holle ruimten in de klieren opmerkte; waar de holte ontstaat, kenmerkt de klier zich eerst door grootere doorschijnendheid en lichtere tint; op deze plaatsen zou zij minder taai, vloeibaarder, zijn dan het oorspronkelijke blasteem. Aldra vertoont zich op de plaats, waar holten moeten ontstaan, eene heldere, kleurlooze, zuiver vloeibare massa en een uit rondachtige korrels bestaanden omtrek; deze korrels vormen al spoedig een epithelium, dat naar buiten toe door nieuwe lagen versterkt wordt, terwijl de binnenste zich afslooten en in de vloeistof blijven drijven. Terwijl deze korrels allengs in grooter aantal bijeenkomen , verkrijgen de kanalen de witte kleur, die ze later kenmerkt.

\oor het gedeelte der uitlozingsbuis, dat buiten de klier en derhalve in den beginne buiten het blasteem ligt, is het niet zeker , of het zich van de uitmonding of naar de klier toe, of wel omgekeerd van de klier af naar buiten toe ontwikkelt, of eindelijk de kiemstof daarvoor op alle punten te gelijk ontstaat. (5) Het laatste is het waarschijnlijkst, en misschien is het louter toeval, dat nu eens dit, dan weder dat deel in ontwikkeling vooruit is. Ook

Gland. Secern., p. 53. Tab. V, fig. 8. traanklier, ]>. 60. Tab. VI. fig. 9—12. (speekselklieren). Gdrit. Physiolog. PI. III. tig. 1—3.

(1) Entwiclcelu?i(js(jesch. , p. £>23.

(2) Müller, Arch. 1838, p. 528.

(3) Rot and 0 (Jour 7i, Complem. XVI, 53) had de ureter voor eene uitstulping der blaas aangezien. Volgens IUtdke (Bildungsgesch. II, 98) en Vaientin (Entwickelungsr/esch. p. 410) schijnt bij veeleer van de nier uit te gaan, ten minste is hij in den beginne bovenaan dikker en wordt naar beneden toe dunner. Tuba en vas defercns ontstaan uit de uitlozingsbuis van het Wolffsche

Sluiten