Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

korst (bij hevige drukking, beklemming, spanning, ontblooting van het onderliggende celweefsel); of als eene zwartbruine of zwartachtig groene, vlokkige, rotachtig stinkende, stukwrijfbare, vochtige zelfstandigheid (bij volledigen bloedstilstand), of als eene wankleurige, stinkende, vlokkig-krummelige of gelijkmatig papachtige massa (bij den hoogsten graad der versmelting).

«) Wecrosering van liet artemlialiiigsslijinvlies.

1) Het slijmvlies der neusholte kan de zitplaats eener verspreide < atarrhale ettering (rondom de monding van het traankanaal) en van folliculaire zweren (zie I. bl. 312) zijn. Buitendien komen er ook nog verzweringen van zeer verschillenden oorsprong in voor; zoo als: na besmetting met verrottingsvergift, pokken, na verwondingen, exstirpatie van polypen, syphilitische besmetting, necrosis en caries der onderliggende beenderen en kraak beenderen, door uitbreiding van eene huidverzwering in het aangezigt, van de lippen, den neus (lupus), van de keelholte enz.

2) Op het strottehoofdsslij m vlies vertoont zich: de acute (uit ligte aanvretingen ontstaande) en de chronische, diffuse en folliculaire catarrhale* verzwering (zie I. bl. 314), die echter niet menigvuldig is; de aphtheuse zweer, die rondachtig, ligt uitgehoold, van eenen platten, weinig afscheidenden bodem voorzien is en zonder likteeken geneest, komt zeer zelden voor; — de typheuse zweer is zeldzaam (zie I. bl. 168);—de tuberculeuse zweer, zeer dikwijls bij tuberkelzucht der longen aanwezig (zie I. bl. 176); de kankerzweer, zeer zelden (ziel. bl. 201); —de varioleuse zweer, die bij eene zeer rijkelijke pokvorming op de huid, gewoonlijk in het strottehoofd voorkomt, aan het strotteklepje of aan den achterwand der larynx gezeten is en veel op de catarrhale zweer gelijkt; — de syphilitische zweer, vooral aan het strotteklepje (van het zachte verhemelte en den wortel der tong afdalende), heeft in het algemeen het karakter der secundaire chankerzweer en brengt somtijds eene volledige verwoesting van de epiglottis en van het slijmvlies der strottespleet te weeg. Ondertusschen kan zij ook genezen en laat dan harde, dikke, witte, bandachtige, strengvormige, elkander overkruisende likteekenen, met vernaauwing der stemspleet achter. Zelden breidt zij zich (serpigineus) over het strottehoofd en verder over de luchtpijp uit; dikwijls gaat zij met uitgroeijingen en carieuse verwoesting der kraakbeenderen gepaard. — Verder kan het slijmvlies ook, ten gevolge van verettering van het onderliggende celweefsel en van het perichondrium, met necrosis der strottehoofdskraakbeenderen (zie I. bl. 384) verwoest worden, alsmede na beleedigingen en ulcerative processen, die van buiten afkomstig zijn (schildklier-, perilarijngeaalabscessen), waardoor eene strottehoofdslistel gevormd wordt. — Koudvuur van het strottehoofdsslijmvlies is zeldzaam, meestal nog als korstvorming, zeldzamer als eene dilfuse of omschrevene koudvurige vervloeijing: bij metastases, croup, typhus, necrosis van het onderliggende celweefsel en perichondrium , verzwering van het slijmvlies.

3) Het slijmvlies der luchtpijp en van hare takken wordt somtijds, hoewel zelden de zitplaats eener verspreide of omschrevene catarrhale verettering (phthisis Iracheatts en broncliialis s. pituitosa; ziel. bl. 316); nog zeldzamer komen hier aphtheuse en tuberculeuse (I. bl. 182), syphilitisclie en (secundaire) kankerzweren voor. De syphilitische zweren zitten, volgens engel, gewoonlijk boven de splitsing der luchtpijp, zij zijn rond, zamenvloeijend, vergrooten zich meer in de diepte dan in de breedte en geven aanleiding tot verwoesting der kraakbeenderen; hare likteekenen zijn rond of elliptisch, verdiept, met hooge, lijstvormige, in verschillende rigtingen loopende uitpuilingen bezet, gewoonlijk grijs gekleurd; zij brengen altijd eene aanmerkelijke vernaauwing der luchtpijp te weeg. — Koudvuur treft men somtijds, en wel het meest bij koudvuur der longen, als eene ver-

Sluiten