Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook geheelc beenderen gereproduceerd zijn geworden. — Over de phosphornecrosis zie I. LI. 383.

Het vochtig koudvuur der beenderen (osteolyo sis, lobstein), waarbij het been week, papachtig, met zwartachtig groene, vlokkig stukwrijfbare, koudvurig verwoeste zachte deelen doorweven en met eene wankleurige , stinkende, ichoreuse vloeistof doortrokken is, stelt eenen overgangsvorm tot de caries daar, en bestaat in eene koudvurige verettering, alleen in sponsachtige beenderen, bij hospitaal-vei sterving, scheurbuik, koudvurigen decubitus enz. , voorkomende.

a) Tuberculeuse Leen verwoesting (I. LI. 186). De LeentuLerculosis komt niet zelden voor, zij neemt den vorm van granulatie of infiltratie aan en gaat dikwijls in deze beide vormen tot verweeking over, waardoor er tuberculeuse verettering (tuLerouleuse Leencavernen) en caries (tuLerculeuse Leen verzwering) tot stand komt. — Werd het tuberculeuse exsudaat op de oppervlakte van het Leen, onder het periosteum afgezet en vervloeit het daarna, dan brengt de tuberkeletter door maceratie van het been, eene in gedaante verschillende, ligte verdieping, met eenen ruwen, aangevreten bodem en afgeknaagde randen te weeg. In den omtrek vormt zich, ten gevolge der reactive ontsteking, die een verbeenend exsudaat voortLrengt, een fijnLladerig, gegroefd osteophyt; het periosteum vervalt door de ontsteking in ettcring of ondergaat eene eeltachtige verdikking. liet likteeken, dat uit deze verzwering ontstaat, vertoont zich als eene ligte, vlakke verdieping in de compacte beenmassa, met weinig gezwollen, ligt gegroefde randen, en is met het verdikte beenvlies te zamen gegroeid. Drong de verwoesting dieper door, dan blijft er een rond of langwerpig, strengvormig, ongelijk verdiept, verhard likteeken na, veelal met eene blijvende vermagering van het been. — Bij de afzetting van tuberkelstof in het inwendige van het been, ontstaat door hare etterachtige vervloeijing en door de maceratie van het beenweefsel, eene verspreide osteoporosis en verettering, of een meer of minder omschreven, rondachtig of bogtig absces (tuberculeuse beencaverne, vomica), waarin zich tuberkeletter, met talrijke kleinere of grootere (sequestervormige) genecroseerde beenstukjes vermengd, bevindt. Deze caverne vergroot zich door secundaire tuberkelinfiltratie in den ontstoken omtrek, of zij opent zich naar buiten, of zij wordt door een calleus, later verbeenend ontstekingsproduct afgesloten. .Jleeft de tuberkeletter de beenschors doorboord, dan vindt men de randen der gevormde opening van binnen naar buiten afgeslepen, en in den omtrek der zoo te weeg gebragte verzwering op de beenschors een teedcr, met straalvormige, kleine groeven geteekend osteophyt. De omringende, zachte deelen zijn geleiachtig spekkig geïnfiltreerd en dikwijls met fistuleuse kanalen doorboord. — De tuberkelmassa en tuberkeletter gaat ligtelijk, vooral bij toetreding der buitenlucht, in ichor over, die eene carieuse verwoesting te weeg brengt, welke zich zeer snel verbreidt en somtijds grootere stukken van het been doet necroseren (tuberculeuse sequesters), overigens met de ontstekingachtige caries overeenkomt. Dc tuberkelichor stelt eene dunne, kaasachtig-vlokkige, grijs-geelachtige, somtijds vuil bruine of wankleurige, zwart-

Sluiten