Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zetting van ecncn bronchiaaltak tot eenen rondachtigen of klosvormigen zak, ter grootte van eene boon, hazel- of walnoot, zelfs van een hoenderei; of er vormen zich, in het beloop van een' en denzelfden bronchiaaltak, verscheidene blaasvormige verwijdingen, rozenkrans vormig achter elkander, in wier tusschenruimten de gewone omvang der buis is behouden gebleven. Zijn er vele dergelijke zakken van verschillende grootte aaneen gesnoerd, dan ontstaat er als het ware eene groote, menigvuldig vertakte, bogtige holte, wier afzonderlijke uitbuigingen door lijst- of klapvliesvormig vooruitspringende verdubbelingen van den bron chi aal wand begrensd en van elkander gescheiden worden. Deze verwijdingen stellen echter niet het uiteinde van de luchtpijpvertakking daar, maar voorbij deze verwijde plaats, neemt de bronchus weder zijnen normalen omvang, en verdeelt zich dan verder op de gewone wijze. Ondcrtusschen bestaat er ook eene zakvormige verwijding der bronchiaaluiteinden, waarbij zich deze dikwijls als vliezige, sterk door lucht uitgespannen blazen voordoen, en ongetwijfeld door de ineensmelting van verscheidene longcellen ontstaan zijn. Deze zakvormige gedaante der bronchiaalverwijding komt meer dan de cylindrische voor, bijzonder bij jonge personen, ten gevolge van langdurige catarrhi of verharde hepatisatie, zij doet dikwijls slechts eenen of eenige takken aan (van den 3den— 4den rang), en is gewoonlijk met verdunning en verslapping der zieke bronchiaalwanden verbonden. Daarbij is het slijmvlies der verwijde plaats slechts weinig, meestal in het geheel niet rood gekleurd, bleek, onmerkbaar of in het geheel niet gezwollen, maar veeleer glad, op een weivlies gelijkend. De zak bevat een dun, bleekgeel, etterachtig of geheel kleurloos, glasachtig slijm. Het longweelsel rondom de zakvormige verwijdingen is verdigt en zelfs verdord, verschrompeld. — Afzonderlijke bronchiaalzakken onderscheiden zich van tuberculeuse holten, met welke zij, vooral bij eene bestaande complicatie met tuberculosis der longen, zeer ligt zouden kunnen verward worden, door dat zij een glad en ongeschonden slijmvliesbekleedsel hebben, dat de inmondende bronchi geen ulceratief voorkomen hebben, en dat de inhoud van den tuberkeletter zeer verschillend is. — In zeldzame gevallen kan, volgens rokitansky, een bronchiaalzak niet alleen van zijne takken, maar ook van den hoofdtak, waarin hij ontwikkeld is, door obliteratie afgesloten worden en stelt dan eene volkomen gesloten, met verdikt slijm, of eene vettig-kalkbrijachtige, aardachtige massa gevulde holte daar.

Het ontstaan der broncliiëctasie wordt door de verschillende schrijvers op zeer verschillende wijzen verklaard. Laennuc en het meerendeel der pathologen namen aan, dat de ophooping van een taai slijm, verbonden met de inspanningen om hetzelve uit te werpen (hoesten) voldoende was om op eene zekere plaats de bronchiaalwanden uit te rekken; de verdigting van het omringende parenchyma zou het gevolg zijn van de zamendrukking door den verwijden bronchus te weeg gebragt. — Andral laat de bronchiaalverwijding door eene uit bronchitis ontspruitende hypertrophie van de aangedane buis ontstaan. — Volgens corrigan is de atrophie, de verschrompeling van het longweefsel het primaire verschijnsel, de verwijding der luchtpijptakken slechts een secundair. Hij vergelijkt den toestand van het longweefsel, bij de bron-

Sluiten