Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ner gedeelte van een been. Tot deze laatste, gedeeltelijke osteoporosis brengt men ook de sponsachtige exostoses (II. bl. 76).

a) Ontstekingachtige osteoporosis: zij wordt door de vloeibare voortbrengselen der ostitis (I. bl. 388), inzonderheid door het weiachtige en haemorrhagische, maar ook door het etterachtige exsudaat te weeg gebragt, gedeeltelijk daardoor, dat deze exsudaten de beenkanaaltjes en cellen uiteendringen (met opzwelling van hel been), gedeeltelijk daardoor, dat zij atrophie en maceratie van de wanden dezer holten veroorzaken. Bij deze osteoporosis, die het ligtst met caries zou kunnen verward worden, voegt zich gewoonlijk ontsteking , verettering en verzwering der naburige zachte deelen en van het beenvlies. Deze osteoporosis geneest niet zelden door opvolgende sclerosis; zij kan overigens met of zonder verandering van omvang en gedaante van het aangedane been plaats hebben. — Volgens rokitansky schijnt het zeer pijnlijke malum coxae senile (dat ook in andere gewrichten voorkomt) op een arthritisch (?) ontstekingsproces met osteoporosis (die later in sclerosis kan overgaan), met wanstaltigheid (afplatting, polijsting) van het dijbeenshoofd en der heupkom (verwijding, ombuiging der randen en osteophytvorming) te berusten.

/J) Osteoporosis, ten gevolge eener overmatige ontwikkeling van beenmerg of in het algemeen, van die stoffen, die de mergkanalen en cellen opvullen, waarbij de massa der beenzelfstandigheid onveranderd blijft. Hierbij neemt het been in omvang toe; bij de opzetting worden de wanden der verwijde beencellen allengs dunner, zoodat er eindelijk, zoowel inwendig, als in de buitenste beenschors, openingen komen, en de mergkanalen en cellen eindelijk met elkander in gemeenschap treden. Het zieke been wordt week, grofporeus, sponsachtig; de zelfstandigheid wijkt voor den vingerdruk (osteopsathyrose), en Iaat zich gemakkelijk met het mes snijden; de holten van liet been zijn met eene groote hoeveelheid opgehoopt, van verwijde vaten doortrokken, donker rood of roodbruin merg, hier en daar, met uitgestort bloed, gevuld. Deze osteoporosis tast een been in zijne geheele dikte aan of alleen de beenschors (vezelige losheid van de beenschórs) of de mergzelfstandigheid; in dit laatste geval wordt het been tot eenen holklinkenden, dunwandigen, ligt verbreekbaren cylinder uitgezet, die met beenmerg gevuld is, aan wiens binnenste oppervlakte men blaas of zakvormig verwijde, overlangsche kanalen vindt, terwijl er nog eenige dunne draden van het sponsachtige weefsel over zijn. In deze osteoporosis, die in alle levenstijdperken, maar het meest in den kinderlijken leeftijd en den gevorderden ouderdom voorkomt, deelen gewoonlijk slechts enkele beenderen, vooral die der ledematen en van den schedel, in zeldzame gevallen slechts enkele plekken van een been.

y) Osteoporosis uit atrophie (vermagering) van het been'weefsel (II. bl. 77), is of eene ouderdomsatrophie, of een vroegtijdige marasmus; in dezen laatsten vorm komt zij voor, bij aanmerkelijk wegzinken der geheele voeding, en verder als een pijnlijk, dikwijls over het geheele geraamte uitgestrekt lijden, in jeugdigen en mannelijken leeftijd (bij arthritis, rheumatismus, kwikziekte,

Sluiten