Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het been en doen het door hunne drukking atrophiëren, en spannen de beenschors somtijds tot eenen meer of minder volledigen kapsel rondom zich uit. In den omtrek van zulke gezwellen, treft men somtijds, als overblijfselen van ontsteking, osteophyten en sclerosis aan; in het gezwel zelf ontwikkelt zich niet zelden eene nieuwe beenvorming, die zich in de gedaante van doornen en bladen door het fibroïde weefsel heenweeft; — enchondromen (I. bi. 120), hoofdzakelijk aan de beenderen der vingers en teenen, aan de ribben en het borstbeen, meestal bij jonge voorwerpen, somtijds van osteophyten omgeven en zelfs verbeenend.— Cholesteatoom (I. bl. 121) komt zelden in het been weefsel voor.

Spina ventosa, osteoïd, winddoorn, een gezwel, dat zeer verschillend van aard kan zijn , dewijl liet, ten gevolge eener vezelige of bladerige, nieuwe vorming van beenweefsel (osteophyt), in ziekelijke voortbrengselen, die in of aan het been zitten, ontstaat. De gezwellen, die in spina ventosa kunnen veranderen, zijn kanker, fibreuse gezwellen en enchondromen. Mellkr's (kwaadaardig) osteoïd is een mergsponsgezwel met een beenachtig geraamte (I. bl. 125).

b) In het vezeldradige weefsel komen vreemde vormsels, zelfs die op ontsteking berusten (I. bl. 380), in het algemeen zeldzaam voor; slechts in het beenvlies en de dura mater vindt men ze meermalen, zoo als b. v. tuberkels (I. bl. 187), kanker (I. bl. 202 en 204) en vooral nieuwe beenvorming (osteophyten). Somtijds treft men hier ook aan: cysten (eenvoudige, met eenen gom- of galvetachtigen inhoud, II. bl. 66), en vezeldradige gezwellen (aan het beenvlies, de dura mater en de banden). — Periostosen (gummata) zijn gezwellen aan het beenvlies, van eene min of meer vezelig-kraakbeenige vastheid en libroïd of calleus maaksel en van eenen ontstekingachtigen of niet ontstekingachtigen aard.

c) De uitwendige huid vertoont de volgende ziekelijke voortbrengselen: nieuwe cel weefsel vorm i n g, zoo als de condylomata, de vleeschachtige excrescentiën aan den neus (zoogen. woekerende neus), het molluscum simplex, — vetgezwellen,— fibroid weefsel (keloïd, likteekenweefsel, fibroïden),—teleangiëctasic (II. bl. 117), —melasma (goedaardige melanose),— cysten (smecrbeursgezwellen),— kanker (I. bl. 204) en tuberkels (I. bl. 187).

NB. Zie het verdere hierover bij huidziekten in het topographisch gedeelte.

d) Het spierstelsel kan de zitplaats der volgende vreemde weefsels worden: teleangiëctasiën (II. bl. 117), die somtijds door hare drukking de spier doen atrophiëren, zonder derzelver omtrekken te veranderen, — vetophoopingen (steatosis, II. bl. 138),— cysten (II. bl. 66)*— vezelig weefsel (ontstekingscallus), dat somtijds verbeent (exerceerbeen); — tuberkels (I. bl. 187) en kanker (I. bl. 204), — entozoa (echinococcus, cjsticercus en trichina spiralis, I. bl. 152).

e) In het zenuwstelsel vindt men: tuberkels (I. bl. 182),— kanker (I. bl. 202), — cysten (II. bl. 67), — vezeldradig weefsel (als likteekenen van verdroogde, apoplectische abscescysten),— lipomata en fibroïden zeer zelden, — entozoa (cjsticercus).

Sluiten