Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor den practischen Geneesheer zou het wel liet doelmatigst zijn, voor als nog dei* aard der bloedmenging, bij de zoogen. dyscrasiën, daar te laten en alleen op de organische veranderingen, die de ziektek. ontleedk. gevonden heeft, op de gevolgen, verbindingen en uitsluitingen te letten, die bij de thans als dyscrasiën beschouwde ziekten voorkomen, dewijl dit eenen belangrijken invloed op de diagnosis, prognosis en geneeskundige behandeling moet hebben. [Zie hierover uitvoeriger I. bl. 71, 76—83 en 157—247].

Onderzoek van het bloed. De gesteldheid van het bloed tracht men langs den weg der scheikundige analyse te onderzoeken, of uit de veranderingen zijner natuurkundige eigenschappen op te maken, liet chemische onderzoek heeft tot nog toe de meeste, maar volstrekt nog geene zekere uitkomsten opgeleverd; ja, behalve de twijfelachtige, maar voor de ziektekunde des bloeds voorzeker niet onbelangrijke extractiefstofïen, verkeert men over de verhouding, de beteekenis en de hoeveelheid der meer bekende bestanddeelen van het bloed (vezelstof, eiwit, bloedligchaampjes, zouten, vetsoorten) nog zeer in het duister. De natuurkundige (anatomische) nasporing kan op zich zelve slechts eene onvolledige uitkomst opleveren , daar zij alleen over de hoeveelheid, zwaarte, kleur, consistentie en stremming van het bloed laat oordeelen. Hierbij kan men uit de verhouding der vaste deelen en der exsudaten zeer gewigtige en ook voor de diagnostiek belangrijke gevolgtrekkingen maken. Aan eene rationele ziektekunde des bloeds kan men derhalve voor als nog niet denken.

Hoeveelheid des bloeds. Gewoonlijk schat men de hoeveelheid der gezamenlijke bloedmassa op ongeveer 20 fi, zoodat zij nagenoeg een 6de gedeelte van het gewigt des geheelen ligchaams zou uitmaken. Of er eene ziekelijke vermeerdering en vermindering dezer massa, eenvoudig en zuiver (d. i. met eene evenredige vermeerdering en vermindering der afzonderlijke bestanddeelen) kan voorkomen, wordt nog zeer in twijfel getrokken; want in ieder geval wordt de mengingsverhouding van het bloed, zoowel bij de liyperaemie, als bij de anaemie zeer spoedig veranderd. — Eene oppervlakkige berekening van de hoeveelheid der bloedmassa, kan men gedurende het leven opmaken uit de kleur der uitwendige huid , den omvang van het geheele ligchaam en der afzonderlijke ligchaamsdeelen, de gesteldheid en kracht der spieren, den toestand der ademhalings- en spijsverteringsweiktuigen. In het lijk (I. bl. 57) beoordeelt men de hoeveelheid van het gezamenlijke bloed naar de meerdere of mindere gevuldheid van het hart en der groote vaten, als ook naar de injectie der haarvaten, de doodsvlekken (I. bl. 6), de lijkverstijving (I. bl. 5), de kleur der huid (I. bl. 32) en den toestand der voeding van het geheele ligchaam.— Over plaatselijke en algemeene liyper- en anaemie zie ï, bl. 57—65.

Soortelijk gewigt van het bloed, liet levert op zich zelve geen voldoend uitsluitsel ten opzigte van de zamenstelling des bloeds op; want slechts de uiterste graden van zwaarte en ligtheid (bij plethora, anaemie en hydraemie) laten met eenige zekerheid tot de digtheid of waterachtigheid van het bloed, tot zijn gehalte namelijk aan ligchaampjes, en in het algemeen aan vaste, in hetzelve opgehangen of opgeloste stoffen, besluiten. — Men heeft het soortelijke gewigt van het bloed in toto, van het geslagen bloed en van de wei trachten te bepalen (1050—1057). Het bloed der mannen is zwaarder (meer dan 1053) dan dat der vrouwen (1050), bij jonge personen is het ligter dan bij volwassenen Goede voeding vermeerdert, hongerlijden vermindert de

Sluiten