Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ringen (II. bl. 146) en tot ziekelijke gewrochten (II. bl. 158) vertonnen de onderscheidene parenchymateuse organen meestal eene verschil lende voorbeschiklheid; inzonderheid is dit op de dyscratische voortbrengselen van toepassing.

f. Hoofd, caput.

Het hoofd, dat in bekkeneel en aangezigt verdeeld wordt, is meer dan de overige ligchaamsdeelen van het grootste belang, dewijl het de organen voor de werkzaamheid van den geest en voor de gewaarwording (de hersenen en de zintuigsorganen) bevat. Het is op de wervelkolom bevestigd en wordt door de nekspieren in eene behoorlijke opgerigte houding gehandhaafd (bij ouderdomszwakte, gedurende den slaap, in bewusteloosheid, verlamming en bij het Jijk valt het voorover). Zijn vorm vertoont belangrijke verscheidenheden, inzonderheid naarmate van ouderdom, geslacht, ligchaamsgestalte en menschenras; het meest algemeene verschil bestaat in de verhouding van de lengte- tot de dwarse doormeting en van den schedel tot het aangezigt. Ontbreken van het geheele hoofd (acephalie) is eene der zeldzame misvormingen (I. bl. 48); evenmin komen het dwerghoofd (nanocephalus; I. bl. 49) en het dubbele hoofd (I. bl. 51) dikwijls voor; daarentegen zijn misvormingen van het hoofd door zamensmeltingen, gebreken in de ontwikkeling en spleetvormingen (I. bl. 50) minder zeldzaam.

Selieilel.

Het bekkeneel (de schedel, craniuni) moet men als eene verwijding van het wervelkanaal beschouwen, waarmede het door het foramen occipitale magnum te zamenhangt; het vormt eene eironde, beenachtige doos, die nagenoeg 2 derde gedeelten van het hoofd inneemt , de hersenen bevat en de hersenzenuwen, als ook de bloedvaten , door talrijke openingen laat uit- en intreden. Bij het begin van zijn^ vorming, is het een vliezige, later een kraakbcenige zak, die uit een stuk bestaat, op verschillende punten begint te verbeenen, en die, met den toenemenden wasdom der hersenen zich meer en meer vergrootende, eindelijk uit verschillende, eerst door kraakbeenige strepen, later (na voltooiden wasdom) door naden met elkander verbondene beenstukken (schedelbeenderen) bestaat. Dewijl de hoeken der schedelbeenderen (vooral die van het wandbeen) het laatst gevormd worden, ontstaan op die plaatsen, tusschen de beenderen, de verschillende fontanellen, van welke, bij het pasgeboren kind, de groote vierhoekige nog alleen overig is.

Topographische verdeeling en gedaante van den schedel. Dewijl eene naauwkeurige begrenzing van vele afzonderlijke en kleine streken op den schedel niet wel mogelijk is, neemt men in het algemeen de volgende aan: het gewelf en de grondvlakte (basis); de voorhoofds-, wandbeens-, achterhoofds- en slaapstreek. —Het schedelgewelf heeft een'

n. 14

Sluiten