Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voel van drukking en angst, dyspnoe, aanvallen van slikking), geluidgevende ademhaling en veranderde of belette stem ot spraak. —- Het objective onderzoek der mond- en keelholte mag eigenlijk (reeds om het vermoeden van syphilis) bij geenen lijder verzuimd worden, maar vooral niet bij hen, die over bezwaren in de ademhaling en spijsvertering klagen. Bij zeer vele aandoeningen der mond- en keelholte, inzonderheid bij de belangrijke, neemt de adem eenen onaangenamen, somtijds zeer walgelijken, de lucht londom verpestenden stank aan.

De oorzaken van de ziekten der mond- en keelholte, waar de kinderlijke en jeugdige leeftijd inzonderheid toe voorbeschikt is, zijn dikwijls zuiver plaatselijk en bestaan niet zelden in uitwendige invloeden van verkouding, spijzen, geneesmiddelen, of in te sterke inspanningen der deelen; vérder in ziekelijke aandoeningen van naburige deelen (de maag, de uitwendige huid , de neusholte, de wervelkolom), in andere gevallen zijn de oorzaken in den algemeenen ligchaamstoestand gelegen (in scorbut, syphilis, kwikziekte, huiduitslagen).

II. Rug.

De rug, die de breedste oppervlakte en den achtersten wand van den romp daarstelt, heeft de golfsgewijs in- en uitgebogen wervelkolom tot grondlaag; waaraan zich van achteren talrijke spieren (nek- en rugspieren), zijdelings de ribben en de bekkenbeenderen vasthechten. Het borst- en bekkengedeelte van de wervelkolom springt naar achteren uit, terwijl het hals- en lendengedeelte van achteren eene holle bogt vertoont. In het midden van don ïug loopt, over de uiteinden der doornwijze uitsteeksels, de achterste middellijn van het ligchaam, die onder het achterhoofd in de nekgroeve begint, in het hals- en lendengedeelte eene sleuf vormt, in het borstgedeelte daarentegen, bij magere personen, kamvormig uitpuilt (wegens de doornwijze uitsteeksels der borstwervelen), in de heiligbeensstreek eene verhevenheid daarstelt en eindelijk in de bilspleet te niet loopt. Hoe sterker de lange rugspieren ontwikkeld zijn, des te dieper is de sleuf in haar micfden; bij het vooroverbuigen 'van het ligchaam verdwijnt zij grootendeels. In het lendengedeelte van den rug vertoont zich nog eene zijdelingsche sleuf, die de afscheiding tusschen de rug- en huikspieren aanwijst. Eindelijk puilen ook nog de schouderbladen en de kammen der darmheenderen meer of minder aan den rug vooruit.

Topograph ische anatomie van Hen rug. a) Zachte deelen: de huid is in het algemeen dik en vast en hangt des te inniger met de onderliggende deelen te zamen, naarmate men meer tot de middellijn nadert; vooral in den nek heelt zij eene aanmerkelijke dikte en onrekbaarheid. De huid der borststreek is daarentegen veel rekbaarder, gevoeliger en met talrijke smeer|,lansjes bezet; in de lendenstreek is zij het dikst, maar tevens zeer rekbaar; in de heiligbeensstreek is de dnnne huid vast op liet been bevestigd. — Het onderhuids-celweefsel is vethoudend en met talrijke peesvezelen doorweven, die op de middellijn van den rug eene tamelijk vaste verbinding tusschen de huid en de ruggegraat daarstellen. — De nek- en rugspieren, die laagsgewijs op elkander liggen, bezitten slechts gedeeltelijk eene fibreuse scheede (fascia lumbo-dorsaUs), die hoofdzakelijk voor de lange uitstrekkende spieren

Sluiten