Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en narcotische stoffen (door lood, arsenicum, koper, kwikzilver, strychnine, brucine, opium en blaauwzuur) en in onderscheidene dyscrasiën (P^syphilitische, jichtige, typheuse, tuberculeuse).

NB. Het onderzoek van de ruggegraat mag bij geen ziektegeval, dat maar eenigziDs twijfelachtig is, verzuimd worden.

III. Hals.

De hals (I. bl. 39) heeft eene kegelvormige gedaante, dewijl zijn bovenste gedeelte dunner en cylindrisch is, het onderste daarentegen aanhoudend in omvang toeneemt. De halswervelen vormen zijn geraamte, die het bovenste gedeelte van het ruggemerg en de artt. vertebrales bevatten, terwijl voor hen een groot aantal van hoogst belangrijke organen (strottehoofd en luchtpijp, pharynx en slokdarm, schildklier, art. carotis, nerv. vagus enz.), achter hen de nekspieren geplaatst zijn. De lengte en stevigheid van den hals staan bij volwassenen in eene zekere verhouding tot de grootte en zwaarte van het hoofd; een groot en zwaar hoofd is gewoonlijk op eenen korten en sterken, een klein hoofd daarentegen op eenen langen en dunnen hals geplaatst; met de lengte van den hals neemt zijne bewegelijkheid, met de kortheid, zijne sterkte toe. Men kan denhals doelmatigst in eene voorste, zijdelingsche en achterste halsstreek verdeelen; de voorste bevindt zich tusschen de beide mm. sternocleidomastoidei en splitst zich weder, van boven naar onderen in regio suprahyoidea, thyreohyoidea, laryngea, en de fossa suprasternalis (s. jugulum); de zijdelingsche streek vertoont, aan het onderste gedeelte van den hals, de fossa supraclavicularis; de achterste vormt den nek. Bij de beschouwing van den hals vallen de volgende deelen, inzonderheid bij magere voorwerpen, in het oog: de musc. sternocleidomastoideus, met een kuiltje tusschen zijne beide hoofden, verder de keel- en bovensleutelbeensgroeve (die bij eene moeijelijke ademhaling bijzonder diep worden), het strottehoofd en somtijds ook de schildklier of opgezwollen lymphatische klieren, de uitwendige strotader (meer of minder met bloed gevuld). Buitendien kan men, bij de nederslikking, de ademhaling en de zamentrekkingen van het hart, nog bewegingen aan de genoemde deelen waarnemen, die men niet onopgemerkt mag voorbijgaan, dewijl zij voor de diagnostiek niet zonder belang zijn. Hiertoe behooren voornamelijk: het opzwellen der uitwendige strotader bij de uitademing en de systole van het hart, de zigtbare en springende polsslag van de carotis en subclavia, het invallen of opzetten van de keelen ondersleutelbeensgroeve bij de in- en uitademing. De auscultatie van den hals geldt hoofdzakelijk het strottehoofd en de luchtpijp, alsmede de carotis (wegens het zoogen. bloed- of blaasbalggeruisch en wegens het ontbreken van den tweeden toon, bij de insufficiëntie der aörta) en de regter inwendige strotader (wegens het

Sluiten