Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slap en taai voordoet) is vooral in jeugdigen en mannelijken leeftijd een gevaarlijke toestand. De longblaasjes, door de capillaire longvaatnetten omweven en in normalen toestand met lucht gevuld, wier aantal approximatief op 1800 millioenen geschat wordt, zijn onderling door een teeder celweefsel tot lapjes vereenigd, elk blaasje hangt aan een fijn bronchiaaltakje, zoodat de naauwste plaats der luchtwegen onmiddellijk voor de longcellen gelegen is.

Wanneer men naar de ademhaling eener gezonde long luistert, door het oor of het stethoskoop tegen de borstkas te plaatsen, dan verneemt men bij de inademing een zacht of scherp slorpend geruisch (vesiculair- of cel-ademen) en somtijds ook bij de uitademing een kort, dof, zwak geblaas (uitademingsgeruisch); spreekt de persoon, dien men onderzoekt, dan hoort men de stem onduidelijk, zwak, gonzend of murmelend en voelt daarbij met de opgelegde hand eene trilling. Ausculteert men daarentegen het strottehoofd, de luchtpijp en hare takken, dan kan men bij de in- en uitademing een helder en hoog geruisch (strottehoofds-, luchtbuis- en broncbiaalademen), dat aan het snuiven en blazen gelijk is, vernemen; de stem vertoont zich hier duidelijk, sterk, krachtvol, maar een weinig ledig en dof, en schijnt uit de genoemde deelen voort te komen. Bij het aankloppen op de borstkas met gezonde longen hoort men een' vollen, niet tjmpanitischen toon. Zieke longen doen bij de auscultatie en percussie andere, voor de diagnostiek zeer belangrijke toonen en geluiden hooren, daarbij merkt men tevens op, hoe de toon en de trilling der stem veranderd zijn, gelijk ook de bezigtiging der borstkas niet zelden afwijkingen in vorm en beweging doet ontdekken.

Auscultatie der long in het algemeen. De geluiden, die men bij het luisteren aan de borstkas, in en aan gezonde en zieke luchtwegen, waarneemt, zijn: ademhalings-, reutel-, stem- en wrijvingsgeluiden, die, met uitzondering der laatstgenoemde, vesiculair, onbepaald en medeklinkend zijn, en van welke verscheidene eenen amphorischen weerklank en metaalachtigen nagalm kunnen hebben.

a) Ademhalingsgeluiden ontstaan door de wrijving der inen uittredende lucht en somtijds ook door het medeklinken van de vaste wanden der luchtwegen; men onderscheidt een vesiculair, bronchiaal en onbepaald ademen.

1) Vesiculair of cel-ademen wordt alleen bij de inademing (inzonderheid op haar einde) vernomen en gelijkt steeds op het den klank van w, b of f nabootsend inslorpen der lucht door de vernaauwde mondopening. Dit geruisch ontstaat in de fijnste luchtpijptakjes en longcellen en waar men het hoort moet de lucht tot in deze ruimten kunnen geraken. Bij vernaauwing der fijnste bronchiaaltakken (door verdikking of zamendrukking hunner wanden) schijnt het sterker, luider, scherper en ruwer te worden (pueriel, scherp, supplementair ademen?), bij verwijding dezer takjes wordt het daarentegen zwakker, onduidelijker, zachter en dieper. Somtijds, waarschijnlijk bij vernaauwing der fijnste bronchiaaltakjes, verbindt zich met het vesiculaire ademen, inzonderheid met het puerile, een

liitademingsgeruisch, dat bij de uitademing als een geblaas vernomen wordt en altijd zwakker, zachter en dieper dan het vesiculaire ademen is.

Sluiten