Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en bij dyscrasien) optreden, zijn grootendeels even duister als het orgaan zelf. — De ontsteking (splenitis; I bl. 367) bepaalt zich meestal tot het omhulsel (episplcnitis) of is van metastatischen oorsprong (I. bl. 212); maar niet zelden vindt men toch ook overblijfselen eener zuiver primaire en parenchymateuse miltontsteking.— De zwelling der milt (II* bl. 9o), die acuut of chronisch is en van hyperaemie of van infiltratie van het miltwecfsel at hangt, is wel altijd een gevolg van eene plaatselijke ziekte of van eene dyscrasie. Atrophie en verkleining der milt, zie II. 1)1. 96. — Verwoesting der milt heeft men als gevolg van ettering en koudvuur (II. bl. 19) waargenomen; spontane bersting is somtijds bij eene zeer hooggaande acute zwelling (bij typhus of tusschenpoozende koorts) voorgekomen. -— Verweeking (II. bl. 140) en verharding dei milt (II. bl. 143) komen met of zonder verandering van omvang tot stand.— Gedaante- cn plaatsveranderingen (II. bl. 148) kan de milt ten gevolge van onderscheidene omstandigheden ondergaan. — Van de vreemde vormsels vertoonen zich in de milt: fibroïde weefsel, tuberkels (1. bl. 185), kanker (I. hl. 202), cjsten (II. hl. 65) en adersteenen in de aderlijke boezems der milt.

Ziekteverschijnselen. De miltziekten kan men, wanneer dit ingewand geene verandering in grootte en gedaante heeft ondergaan, niet met zekerheid herkennen. Door eene vastzittende plaatselijke pijn, door liet gevoel van drukking cn zwaarte, door consensuele maagaandoeningen (catarrhus, zuur, braking, bloeding), door veranderingen in de lever cn het darmkanaal, laten zij zich somtijds vermoeden.

S) Alvleescliklier.

De alvleescliklier, die achter de maag, tusschen de milt en het duodenum gelegen is en met haren bovenrand aan de groote miltvaten raakt, schijnt, even als de speekselklieren, aan slechts weinige ziekten onderhevig te zijn; maar deze weinige zijn nog niet behoorlijk nagespoord en kunnen bijna niet herkend worden. De menigvuldigste verandering, die men in het pancreas aantreft, is de vetachtige ontaarding, vooral bij dronkaards, algemeene vetzucht, met de vetlever en galsteenen. Hierbij wordt de klier van buiten naar binnen aangedaan, van uit de vetmassa, die haar omgeeft, waarhij haar celweefsel allengs een los cn smerig vet opneemt, terwijl de acini, onder het aannemen van eene vuilroode kleur, kleiner worden en eindelijk verdwijnen, zoodat de klier ten slotte in eene weekc vetstreep veranderd is. — Bij de hypertrophie der alvleeschklier, in den regel met eene eenvoudige verharding derzelve verbonden, zijn niet zoo zeer de acini als wel het tusschenliggende celweefsel gehypertropliiëerd. Atrophie der alvleeschklier is eene ouderdomsuittering of zij ontwikkelt zich uit chronische ontsteking, vetinfiltratie of steenvorming in den ductus pancrcaticus. — De ontsteking (pancreatitis; I. bl. 374) is of eene acute, in ettering overgaande, of eene chronische, tot verdigting en verharding van het celweefsel en tot obliteratie en verschrompeling der acini aanleiding gevende, of eene met as ta t i s che, die somtijds zeei snel verzwering te weeg brengt.— Van vreemde vormsels vindt

Sluiten