Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zweeting in enkele smeerkliertjes ontstaat, waarbij het exsudaat de opperhuid boven de uitvoeringsbuis losmaakt en opheft. De blaasjes staan somtijds op eene ontstokene grondvlakte en hebben dan eenen kring (halo); zij gaan door verdrooging in afschilfering over, of door uitstorting van hunnen inhoud in korstvorming, of in puisten en zweren. Hiertoe behooren: vele vormen van schurft, herpes, eczema, vaecina, varicella. — Blaas (vesica, bulla), eene grootere opheffing der opperhuid, door uitzweeting uit eene grootere ontstokene oppervlakte van liet tepelachtig ligchaam en der omliggende klieren veroorzaakt (pemphigus, belroos, rupia). — 7) De puist, etterblaas (puslula), een kleine, rondachtige, vlakke (p. phlyzacia) of' somtijds toegespitste (p. p.tjdracia), dikwijls in vakken verdeelde, genavelde of gedeelde (op den top van eene kleine indrukking voorziene), ontstokene verhevenheid der huid, wier spits (meestal in een blaasje) etter bevat, en die vooraf gewoonlijk de vormen van stip, vlek, knopje en blaasje doorloopen heeft. Zij dringt nu eens meer, dan eens minder diep in de lederhuid door, en laat dien ten gevolge, in het eene geval een likteeken na, in het andere niet, maar altijd een korstje van verschillende dikte en kleur, dat na eenigen tijd afvalt. Zij ontstaat door eene diepgaande (phlegmoneuse) ontsteking eener huidklier. Hiertoe brengt men: ware en onware pokken, etterende schurft, impetigo, acne, ecthyma, porrigo, vochtig hoofdzeer, melkkorst, mentagra. — 8) De afschilfering (fijne; defurfuratio), de afstooting van zeer kleine, zemelachtige schubjes der opperhuid en van verdroogde afsclieidingstof der smeerkliertjes (na mazelen, rubeola, herpes furfuraceus, tinea furfuracea, pilyriasis).—De afschilfering (grove; desquamatio), afstooting der epidermis in grootere stukken of lappen (na roodvonk, roos, psoriasis, ichthyosis). —9) Korst, roof (crusla, eschara), eene uit gestolde en verharde exsudaten gevormde bedekking van genezen of nog vochtige en etterende huidplekken (na blaasjes en puisten , op zweren), die van verschillende dikte, kleur, grootte en gedaante is (bladerig, korrelig, brand-, honiggraatkorst). — Tot de hoofdvormen behooren verder nog: de wrat, de likdoorn, de zweer, de karbonkel, beursgezwellen, comedones, het keloïd, het likteeken.

De ziekten der huid kunnen het best en gemakkelijkst volgens de verdeeling van hebra, die op de onderzoekingen van bokitanskv gegrond is, behandeld worden. Zij is als volgt:

I. Bloedsophooping in de haarvaten der huid (hyperaemiën), te weeg gebragt door vermeerderden bloedsaandrang [d. i. active hyperaemie of congestie, van eene plaatselijke (idiopathische) of algemeene (sympathische) beteekenis], of door verhinderde terugvloeijing van het hloed (d. i. passive hyperaemie of stasis, idiopathische of sympathische).

A. Active hyperaemiën (congestie); de verschijnselen zijn: eene min of meer verzadigde, hoogroode kleur der huid, die geene of eene geringe verhooging van den warmtegraad laat waarnemen, en voor den vingerdruk verdwijnt, zoodat zich op de verbleekte plek de normale huidkleur vertoont; zij verdwijnt langzamerhand en zonder afschilfering. Hiertoe behooren:

a) Idiopathische active hyperaemie: erythemen, die door ligte, spoedig voorbijgaande huidprikkels, (baden, warmte) veroorzaakt worden.

b) Symptomatische active hyperaemie: erythemen, die voor het uitbreken van acute huiduitslagen voorkomen (roseola variolosa, vaccinia, infantilis; urticaria ephemera).

B. Passive hyperaemiën (stases): blaauwroode kleur, ligte zwelling, verdwijnen der kleur bij den vingerdruk of bij de opheffing van den

Sluiten