Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bloedsomloop, eene duidelijke vernaauwing der haarvaten. De liyperaemie (liet lste tijdperk, der ontstekingachtige congestie, I. bl. 85) kenmerkte zich door vertraging van den bloedsomloop met verwijding en verlenging der vaten en het ophouden der afscheiding. De vertraging van den bloedstroom wordt het eerst in de fijnere vaten opgemerkt (zij begint derhalve in de peripherische vaten en zet zich allengs naar den hoofdstam voort), maar niet in alle gelijktijdig, ook niet in al de takken van een stammetje; maar zij begint hier en daar (zoodat de tusschenliggende deelen dikwijls nog lang hunnen normalen bloedsomloop behouden), en tast dus langzamerhand een grooter aantal haarvaten aan. Met de vertraging der bloedbeweging verdwijnt de stilstaande laag in de vaten (en met haar de afscheiding der parenchymateuse voedingsvloeistof), de bloedligchaampjes komen, naarmate de vertraging toeneemt, meer en meer met hunne overlangsclie doormeting in de dwarse as van het vat te liggen en pakken zich meer en meer opeen , waardoor de inhoud van het vat donkerder van kleur wordt. Daarbij worden de vaten in het oog vallend wijder en gekronkeld. Wanneer de hyperaemie nog niet te lang geduurd heeft, kan de circulatie in dit tijdperk. door ieder prikkelend middel, dat niet al te hevig werkt, hersteld worden. — Nadat de vertraging van den bloedsomloop door de haarvaten eenigen tijd geduurd heeft, gaat zij op verschillende punten te gelijkertijd in eenen volkomen stilstand over (2de tijdperk: van sta sis; I. bl. 86). De bloedgolf in een vaatje begint allengs te oscilleren en geraakt eindelijk in eene volledige rust; het vat vertoont zich nu in het oog vallend wijd, in hoogen graad gekronkeld en met een donker rood bloed overvuld, terwijl het niet meer mogelijk is, de afzonderlijke bloedligchaampjes te onderscheiden. Tegelijk bemerkt men in het ontstoken weefsel naast de omtrekken der haarvaten grijze strepen voortloopen , die zich meer en meer in de breedte vergrooten, en eene dunne, bloederig sereuse uitzweetingsvloeistof (de lste exsudatie) schijnen te zijn. Hierdoor wordt liet ontstoken weefsel gezwollen en troebel , het verkrijgt een gevlekt en langzamerhand gelijkmatig, grijsroodaclitig aanzien, de gestreepte injectie verdwijnt en men kan nog alleen de grootere vaten onderscheiden. In den omtrek neemt men eene snel voortgaande vorming van lichtbruine pigmentvlekken waar, die uit eene fijn korrelige massa zijn zamengesteld. JVIet meerdere of mindere snelheid verbreidt zich nu de bloedstilstand over al de haarvaten, terwijl de grootere vaten nog eene, hoe wel vertraagde circulatie onderhouden. Ja, wanneer in de meeste haarvaten reeds lang elke beweging heeft opgehouden, blijft zij nog in de grootere vaten en enkele capillaire voortduren, en van uit deze punten stelt zich de versnelde beweging bij intredende genezing, het eerst weder in. Heeft deze toestand van volledige rust nog niet lang geduurd , zoo is er nog eene onmiddellijke terugkeering tot de gezondheid mogelijk (door inwikkelende, niet door prikkelende middelen). — Wordt de stilstand echter niet opgeheven , dan vertoont zich het parenchyma tusschen de vaatnetten, door de voortgaande uitzweeting aanhoudend doffer, meer gezwollen , grijs of grijsroodachtig (d. i. het 3de tijdperk: der ontstekingachtige, eigenlijke of tweede uitzweeting ; I. bl. 86). Hierbij kan de uitzweeting menigmaal (bij sterke dieren en na hevige prikkels) de vaten volkomen ontledigen, zoodat men deze als ledige , doorschijnende strepen in het grijsroodachtige parenchyma ontdekt. Bij deze ontstekingachtige uitzweeting neemt men ook dikwijls het uittreden van geheele bloedligchaampjes waar, hetgeen vooral in de hoeken der vaatnetten plaats heeft. — Wanneer de uitzweeting, waarin zich het tijdperk van stilstand onafgebroken voortzette, voleindigd is, dan vangt het weder intreden van bloed in de ontledigde haarvaten nog niet onmiddellijk aan, maar eerst na eenig tijdsverloop; eerst bemerkt men eene zwak bewogen bloedkolom, in welke men duidelijk ieder afzonderlijk bloedligchaampje ouderscheiden kan j de bloedligchaampjes zijn gering in aantal, bleek van kleur, en drijven in eene betrekkelijk groote hoeveelheid van eene kleurlooze vloeistof.

Sluiten