Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mulder, Vogel en Hünefeld (1) onderzocht geworden met geene volkomen overeenstemmende resultaten. Zij vonden:

Michaelis. Mulder, J. Vogel. Hünefeld.

slag-aderlijk. aderlijk. v. Ii. schaap. y. e. os.

stikstof 17,587. 17,267. 13,72. 18,120. koolstof 54,574. 50,440. 54,56. 52,406. 55,80. 54,49. waterstof 7,254. 8,228. 6,90. 7,094. zuurstof 25,785. 24,065. 22,15. 17,720. 26,12. 25,87. phosphor 0,55, ascli 2,600. zwavel 0,56.

Volgens Mulder bestaat fibrine uit (N100 C400 HG20 O120) + P'1-^ • of uit 10 atomen proteïne met 1 atoom phosphor en een atoom zwavel; bovendien bevat zij phosphorzuren kalk, welks phosphorgehalte met den vrijen phosphor overeenkomt. Na volkomene verbranding verkreeg Mulder 0,77 proc. asch. De fibrine komt alzoo volgens Mulder in hare zamenstelling volkomen met het eijereneiwit overeen, en onderscheidt zich van het eiwit van het bloed slechts door het gemis van een atoom zwavel. Haar atoomgewigt bedraagt 55692,61. J. Vogel vond in de vezelstof van het ossenbloed standvastig iets meer stikstof, dan in het eiwit van hoender-eijeren.

Omtrent de eigenschappen der versche vezelstof heeft J. Muller (2) eenige proeven in het werk gesteld, door het bloedvocht van kikvorsclien, dat door het filtrum van de bloed-ligchaampjes werd gescheiden, in horologie-glazen met verschillende herkenningsmiddelen op te vangen. Wanneer opgeloste vezelstof in azijnzuur wordt nedergeslagen, dan stremt zij niet, ook niet in eene oplossing van keukenzout en in oplossingen van andere onzijdige zouten, welke, zoo zij bij het bloed gevoegd worden, de stremming verhinderen. In ammonia litjuida volgt er geene stiemming, in eene oplossing van bijtende potasch stremt de vezelstof in kleine vlokken, eveneens in zwavelaether, en zij onderscheidt zich door deze eigenschap van liet eiwit der wei, terwijl het eiwit van eijeren in aether evenzeer stremt.

De gestolde vezelstof verhoudt zich als gestold eiwit. Zij is smaak-

(1) Chemismus in <L. tJu'-cr. Organisntion, S. 151.

(2) Physiol. I, 131.

Sluiten