Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wit, hard en ligt tot poeder te brengen is, in water donkergeel en doorschijnend wordt en opzwelt, zonder zich op te lossen. De zoutzure globuline is met eenig overblijfsel in water oplosbaar. Globuline behoort, volgens Mcider, tot de proteineverbindingen. De ontleding van zwavelzure globuline gaf:

Stikstof . . . . 15,70.

Koolstof. . . . 54,11.

Waterstof. . . , 7,17.

Zuurstof. . . . 20,52.

Zwavelzuur. . . 2,50.

Ten naastenbij overeenkomende met 4 atomen proteine op één atoom watervrij zwavelzuur. Uit de zoutzure globuline verkreeg Berzeiids 1,2 proc. asch, bestaande uit pliösphorzuren kalk en sporen van ijzerverzuursel. Le Cano houdt globuline en albumine voor identisch, en ook Berzeiids gelooft, dat beide eene gelijke zamenstelling kunnen bezitten. Zij onderscheiden zich echter in verschen toestand daardoor van elkander, dat globuline in eene zout bevattende vloeistof, welke eiwit opgelost bevat, onoplosbaar is, en dat het coagulum der globuline geene vlokken, maar eene van gestold eiwit geheel en al verschillende, korrelachtige massa vormt. Deze beide eigenaardigheden laten zich verklaren uit de aanwezigheid der omhulsels, in welke de eiwitdeeltjes ingesloten zijn, en het wordt daardoor waarschijnlijk, dat de globuline inderdaad niet anders is, dan eiwit met de membranen (en kernen) der bloedbolletjes.

Uit dezelfde stof bestaat volgens Berzeiids ook de kristallens; zij stremt onder soortgelijke omstandigheden, als de globuline, uit het bloedrood, doch even. zeer niet tot eene zamenhangende, maar tot eene korrelige massa, daar ook hier de strembare vloeistof in vliezige buisjes en blaasjes ingesloten is. Volgens Mdider bevat de proteine-houdende zelfstandigheid der kristallens geenen phosphor, maar phospliorzuur en zwavel in eene geringere hoeveelheid dan fibrine, caseine en albumine, namelijk 1 atoom op 15 atomen proteine (verg. de noot op pag. 59, Vert.)

Simos houdt datgene, wat Berzeiids globuline noemt, voor kaasstof; hij heeft, echter klaarblijkelijk eene geheel andere stof voor zich, want hij trekt ze met alkohol uit, welke de globuline niet oplost. Versch, geslagen bloed wordt uitgedampt, met aetlier uitgetrokken, vervolgens met alkohol uitgekookt. Uit de spiritueuze extracten werden bij de verkoeling roode vlokken nedergeslagen; deze worden met alkohol van 0.845 overgoten, bij welke op één ons ongeveer G—8 droppels verdund zwavelzuur gevoegd waren, en gekookt, totdat er zich eene donkerroode oplossing gevormd had. De oplossing scheidde bij de verkoeling eene stof af, welke Sim on voor zwavelzure caseine verklaart. Wel is waar verhield zij zich in vele opzigten als caseine, maar het is geenzins zeker, dat zij van de bloedbolletjes afkomstig is. Dat zij uit kaasstof bestaat, zocht Simon ook uit hare verhouding jegens leb te bewijzen. Hij bragt bloed door leb tot stremmen, maar stelde zijne onderzoekingen in het werk met geslagen bloed, niet met globuline; en zoo leert ook deze proef slechts, dat er, zoo als bekend is , kaasstof in het bloed voorkomt; zij bewijst echter niet, dat de bloedbolletjes nit kaasstof bestaan.

Sluiten