Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik gaf er daarom voor het tegenwoordige nog de voorkeur aan, om de afzonderlijke weefsels en organen, zoo als zij anatomisch of physiologisch sedert lang onderscheiden worden, achtereenvolgens met betrekking tot hun fijner maaksel en hunne levenseigenschappen af te handelen, en slechts hij gelegenheid op de verwantschap tusschen derzei ver elementaire deelen heen te wijzen. De orde, waarin de hoofdstukken op elkander volgen, was daarbij onverschillig; ik heb echter, zoo veel als mogelijk was, getracht herhalingen te vermijden en die weefsels vooraan te plaatsen, waarvan de kennis voor de verdere onderzoekingen nuttig scheen. Hetgeen zich voor de ontwikkeling en het leven der cellen als algemeen geldend deels waarnemen, deels vermoeden laat, is in een algemeen gedeelte vooraf behandeld.

De algemeene ontleedkunde is tegenwoordig hoofdzakelijk mikroskopische anatomie. Daarom zal een enkel woord over hel gebruik van het mikroskoop hier niet ongepast zijn.

zoogenaamde organische spieren ten opzigte van liare ontwikkeling van het celweefsel niet verschillen, en dat inderdaad celweefsel en organische spieren allengs | in elkander overgaan; de spieren van het animale leven daarentegen en de zenuwen schijnen, zoo als later zal worden uiteengezet, zamengestelde organen te zijn, wier omhulsel waarschijnlijk niet door de oorspronkelijke celwanden gevormd wordt. Scdwann behandelt het vet bij het celweefsel, de zenuwknoopen bij de zenuwen, hoewel deze organen morphologisch zeer uiteenloopen. Aan de klieren en vele andere eigenaardig gevormde organen denkt hij in het geheel niet. Valentin (R. Wagner, Lehrbuch der Physiol., Abth. I, S. 133) heeft eene anderè verdeeling voorgeslagen en een grooter aantal van geslachten opgesteld, waarover wij hier, zonder in de afzonderlijke punten diep in te dringen, geen oordeel kunnen uitspreken. Doch zij lijdt aan soortgelijke gebreken als die van ScDwann, en voor een gedeelte ook aan dezelfde; ook Valentin rekent alle hoornweefsels tot de klasse der zelfstandige cellen, verbindt celweefsel, elastische vezels en spiervezelen in eene groep, enz. Gerber (Allgem. Anatomie, S. 18) geeft een tabellarisch overzigt van de dierlijke elementaire deelen, waarbij echter slechts voor een gedeelte op de wijze harer ontwikkeling en te veel op nietsbeteekenend verschil in den vorm der ontwikkelde weefsels acht geslagen is. Zoo onderscheidt hij platte draden, holle draden en ronde draden, en brengt hij in de laatste klasse de celvezels en spiervezelen met de vezels van het vezelachtig kraakbeen in ééne rubriek, terwijl hij in de klasse der holle draden zenuwen en tandbuisjes met elkander verbindt.

Sluiten