Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegeven worden, daarover moet bij elk mikroskoop de proef beslissen. Voor anatomische voorwerpen, die men met vloeistof bedekken wil of daarin wil laten zwemmen, dikwijls ook met fijne instrumenten onder het mikroskoop tracht te verscheuren, is het wenschelijk, om eenen zooveel mogelijk wijden afstand van den focus te hebben, en daarom verbindt men gaarne zwakkere objectief-linzen met sterkere oculair-linzen. Bij de mikroskopen van Sciiiek geven oculair 1 met linze 4, !>, 6 nagenoeg dezelfde vergrooting als oculair 2 met linze 5,4,8. Op de aangevoerde gronden geef ik aan de laatste combinatie de voorkeur. De keuze der vergrooting in het algemeen hangt van het te beschouwen voorwerp af. De meeste histologische voorwerpen zijn duidelijk genoeg bij eene 500malige vergrooting (in doormeting), en hetgeen bij eene 400malige vergrooting niet duidelijk is, wordt zelden door sterkere linzen duidelijker. Men moet niet vergeten, dat sterkere vergrootingen altijd slechts ten koste der sterkte van het licht verkregen worden, en zelden wint men door gene zooveel, als men door de vermindering van het licht verliest.

Eene hoofdzaak bij mikroskopischen arbeid is het gebruik van het licht. Men verlicht de voorwerpen nu eens van onderen, terwijl men het door den spiegel teruggekaatste licht door dezelve heen leidt, of van boven door het op den objectdrager vallende licht, dat eveneens door brandglazen of prismen zamengedrongen en op één punt geleid kan worden. Ondoorschijnende voorwerpen kan men slechts bij opvallend licht beschouwen, doorschijnende bij opvallend en doorstralend licht. Elk dezer wijzen, waarop men de voorwerpen beschouwt, heeft hare eigenaardige voordeelen, en, waar het mogelijk is, moeten beide worden aangewrend. Bij opvallend licht zijn de kleuren der voorwerpen duidelijker; ook worden de vormen gemakkelijker begrepen, omdat wij aan deze wijze van verlichting door de voorwerpen, die ons in het dagelijksch leven omringen, gewoon zijn en zonder moeite, ja nagenoeg zonder er ons rekenschap van te geven, uit de verdeeling van licht en schaduw tot do vormen besluiten. In het zien bij doorstralend licht moet men zich eerst oefenen, dat is men moet over den vorm uit de wijze, waarop het voorwerp beschaduwd is, een oordeel leeren vellen en dit levert juist de reden op, waarom oefening en onder-

Sluiten