Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zekere bewegingen van den spiegel, welke men door oefening moei leeren kennen, of beschaduwing met de hand, waardoor men het opvallende licht afkeert (eene kunstgreep , die niet genoeg kan worden aanbevolen), of het gebruik van het diaphragma, eene met grootere en kleinere openingen voorziene, zwart gemaakte plaat, die onder den objectdrager is aangebragt. Men zal terstond zien, dat omtrekken, welke bij het volle licht niet of naauwelijks zigtbaar zijn, door vermindering van het licht duidelijk worden; men zal ook leeren, de opening van het diaphragma nu eens in het midden, dan eens naar de ééne of andere zijde te plaatsen, en daardoor de schaduwen nu eens langer, dan eens korter te laten worden.

Ik sprak zoo even van de optische misleidingen, waartoe de inflexie en interferentie van het licht aanleiding geven. Deze berusten op den invloed, welken op elkander treilende stralen, die zich, even als twee aan elkander rakende golvende bewegingen, voor een deel versterken, voor een ander deel vernietigen, wederkeerig op elkander uitoefenen, en verder op de eigenschap der lichtstralen, dat zij , wanneer zij aan een vast ligchaam langs of door eene smalle spleet heengaan, eene afwijking ondergaan, waarbij zij gelijktijdig in de stralen van eene verschillende breekbaarheid ontleed worden. Het is niet mogelijk, hier ter plaatse dit onderwerp uitvoeriger te behandelen ; maar ik kan niet nalaten, aan de volgende eenvoudige experimenten te herinneren, welke E. H. Weber (1) mededeelt, en die een overtuigend en gepast voorbeeld der vermelde misleidingen geven. Zoo men twee bij elkander gebragte vingeren digt bij het oog houdt, en door deze naauwe spleet naar het zon- of kaarslicht ziet, dan merkt men in de tusschenruimte tusschen de beide vingers ontelbare evenwijdige, lichte en donkere strepen op. Legt men drie vingerpunten zeer digt bij elkander, en ziet men door de naauwe driehoekige tusschenruimte in het licht, dan ziet men eene menigte donkere en lichte punten, die er dikwijls als verlichte kogeltjes uitzien. Hoe groot de gelegenheid tot interferentie bij de fijne mikroskopische voorwerpen is, valt ligt te begrijpen, en zoo komen er, vooral wanneer het licht sterk, het voorwerp oneffen

(1) Hudebrahdt's Anat. I, 132.

Sluiten