Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen geleverd. Hecht (1) bevestigde de aanwezigheid van ontstekingskogeltjes m de nieren bij de Brightsche ziekte; Gruby (2) toonde ze in vele soorten van etter en ettervormig slijm aan. Gerber (,) vond ze m ziekelijk voortgebragte, geslotene kysten en in het slijm. Zamengestelde kogeltjes van volkomen gelijken vorm

. n Cn Je melk in den eersten tÜd na de verlos¬

sing PI V fig. 21, D). Al deze kogeltjes zijn zonder omhulsel; de Iigchaampjes worden door eene eiwitachtige zelfstandigheid bijeengehouden, die door azijnzuur wordt opgelost, waarna gene zich van zelve of door eene ligte drukking van elkander verwijderen. Er kan zich echter een vlies om deze opeenhoopingen vormen, want behalve deze komen er steeds, ten minste in"de essudaten, kogeltjes van dezelfde grootte en zamenstelling voor die een zigtbaar omhulsel bezitten. Verder merkt men in "de ontstekmgs- en colostrumkogeltjes dikwijls een grooter vetblaasje op, dat de plaats der kern schijnt te vervangen (PI. V, fig. 21, C); dikwijls zijn deze ook in grooter aantal aanwezig; eindelijk is het ook mogelijk, dat zich uit de ontstekingskogeltjes de groote cellen met eene regelmatige kern en korrelachtige!, inhoud vormen, die ik in tuberkels, ,n ontaarde nieren bij de Brighsche ziekte gezien heb (4), en die in de nieren eveneens door IIecht (5) zijn teruggevonden'.

De overgangen, welke wij aan deze ziekelijke producten slechts vermoedden, werden door C. H. Schultz aan de bloedbolletjes van het embryó nagegaan. Wanneer zijne later uitvoerig mede te deden ontwikkelingsgeschiedenis der bloedbolletjes in het embryo van den kikvorsch juist is, dan komen er eerst kogelronde opeenhoopingen van kleine ligchaampjes voor, die binnen scherpe trenzen besloten zijn en zich later met een eigen vlies omgeven. De kogeltjes verdwijnen in het midden van den kogel, allengs ook aan de wanden tot op een of drie, die met elkander ineensmelten en de kern daarstellen.

(I) De rembus in morlo BrigJuii degeneratis, Berol. 1839, p 16

p'19's*'3s'43'ie'f%- 2°' 22>

(3) Allgem. Anatomie, Fig. 9, e, Fi«\ 25.

(4) Schleim und Eitcr, S. CO.

(5) t. a. p. S. 18.

Sluiten