Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keurige onderzoekingen omtrent dit proces mag men gewigtige resultaten voor de wetten van de ontwikkeling der elementaire deeltjes verwachten. Tot dit vermoeden leidt reeds hare algemeenheid; aan dojers van kikvorschen (1), visschen (2), weekdieren (5) en medusen (4) is de vorming van voren reeds waargenomen, en bij hoogere dieren is zij welligt, volgens het juiste vermoeden van Bergmann, slechts over het hoofd gezien, omdat zij zich wel tot de kleine plaats bepalen kan, waarvan de ontwikkeling van het embryo uitgaat.

Vorming van uitspruitsels, inwendige voortplanting en verdeeling zijn derhalve, voor zoo verre onze kennis strekt, de wegen, langs welke ten koste van het indifferente cytoblastema eene vermeerdering der cellen mogelijk is , die van eene gevormde cel of cellenmassa uitgaat. Er komen echter gevallen voor, waarin op eene nog onverklaarbare wijze rijpe cellen er toe medewerken, dat het cytoblastema in cellen en eindelijk in weefsels van dezelfde soort veranderd wordt. Bij het begin van deze afdeeling vestigde ik de opmerkzaamheid op de regeneratie, met name op de genezing van wonden, waarbij alleen de in het organisme als geheelheid inwonende kracht de oorzaak is, dat er uit de cellen eener uitgestorte kiemstof op bepaalde plaatsen eigenaardige weefsels ontstaan. Thans moeten wij de aandacht vestigen op den invloed, dien de eigenaardig gevormde weefsels op de metamorphose der elementaire cellen van het essudaat uitoefenen. Deze invloed vertoont zich het sterkst bij de regeneratie van het been weefsel. Na eene beenbreuk storten de vaten van het been, het beenvlies en het omringende bindweefsel bloed in de wondholte uit; het bloed wordt ontkleurd en vervolgens in eene geleiachtige massa veranderd. De verandering dezer massa in kraakbeen, en later in been, gaat echter steeds van de gebrokene uiteinden uit; even zoo vormt er zich nieuw been

(1) v. Baer, Müiier's Arcluv, 1834, S. 481.

(2) rosconi, t. a. p. 1840, S. 185.

(3) Sars in wlegmahn's yirrhiv. 1840, I, 199, bij Tritonia , Aeolidia , Doris en yiplijsia, Vanbeneden, l'Institut, N. 375, bij -dplysia.

(4) v. Sieisold , Beitriige zur Nalurgeschiclile der wirbellosen Tliieret Danzijj 1839, S. 21 , Medusa aurila.

.

Sluiten