Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vermengd voor, en ik zag dikwijls eene kernvezel aan eenen bundel van bindweefselfibri 1 len eerst regt loopen, vervolgens een paar spiraal-omwindingen maken, daarna baren weg in eene regte rigting vervolgen, enz., al hetgeen door niets anders dan door de toevallige ligging der kernen bij de eerste vorming der cellen bepaald is.

Op plaat II, fig. 6 , heb ik in het wordings-proces verkeerende kernvezels van het bindweefsel, zoo wel regte als spiraalvormige, naar de natuur afgebeeld. Het schijnt, dat de spiraalvormig loopende kernvezel zich, even als de spiraalvezelen der planten, verdeelen en tot afzonderlijke ringen sluiten kunnen, daar ik meermalen , in de plaats van eene spiraal, afzonderlijke, geslotene ringen om de bindweefselbundels geplaatst zag.

De kernvezels der tweede soort, die op de oppervlakte der plattere celvezels achter elkander zijn geplaatst,

zijn eigenaardig gekenmerkt door de neiging, om zijtakken uit te zenden en zich door middel der zijtakken tot een net te verbinden, dat de laag der celvezels bedekt, en zich bij

eene zeer regelmatige ontwikkeling tusschen elke twee celvezellagen bevinden moet. De zijtakken zijn langer of korter, dikwijls rankvormig gebogen ; zij maken zich gemakkelijk van de celvezels los, zoo als over het algemeen deze geheele kernvezellaag veel inniger onderling dan met de celvezels verbonden is. In de vliezen der vaten en in het spiervlies der ingewanden kan men de ontwikkeling van deze soort van kernvezels nagaan. Zij zijn het sterkst in het vlies van de overlangsche vezels der aderen (PI. III, fig. 15), tamelijk sterk met talrijke anastomosen in het middels te vlies der slagaderen (PI. III, fig. 14,15); in de eigenlijke organische spieren laten zij zich eerst na de op¬

lossing der celvezels met azijnzuur als een zamenhangend geheel bereiden (PI. IV, fig. 5); afzonderlijke fragmenten ziet men ook als

15*

Sluiten