Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wendig 111 de vochten des ligcliaams terug. In die vormsels daarentegen, die niet als fundamentele en zuiver dierlijke kunnen worden aangemerkt, maar een meer plantaardig karakter bezitten, die op de oppervlakte van het ligchaam en op de vrije oppervlakte van inwendige werktuigen geplaatst zijn, d.i. in het ependyma, in de epitheliën, de epidermis, in de nagels en haren, veranderen de kogels, zonder in den sphaeroïden-vorm over te gaan, in ligchamen van den meest verschillenden vorm, die wij als polymorphe bestanddeelen aanvoerden, en die met de hij de planten voorkomende vormen eene uitwendige overeenkomst bezitten, maar die zich door de wijze, waarop zij zich ontwikkelen, en door hunne wezenlijke gesteldheid van de cellen der planten onderscheiden, daar zij noch holle ruimten zijn, nocli geweest zijn; de meeste veranderen zich in dunne, polygonale plaatjes, die zich in de haren en nagels lijnvormig tot vezels, de hoorndraden, aaneenrijgen, en meer of minder talrijke op elkander liggende lagen vormen (platenvereeniging).

Deze voorstelling van de ontwikkeling en zamenstelling der ligchaamsbestanddeelen is, volgens A., aan eene onpartijdige waarneming ontleend; zij is, voor zoo ver A. weet, vrij van elke theorie, en geeft ons een voorloopig inzigt in de wezenlijke en fundamentele vorming van de weefsels des menschelijken ligcliaams. Ter verdere opheldering willen wij de vormen en hunne verhoudingen naauwkeuriger beschrijven.

a. De kogels, sphaerae, zijn zamengestelde, volmaakt kogelige ligchamen, die slechts wanneer zij digt opeenliggen, door de bierbij veroorzaakte wederkecrige • drukking, eene polygonale gedaante aannemen. Hunne middellijn wisselt tusschen '/soo—'Iso'" af. De grootere kogels komen voor in de vezelige kraakbeenderen, in \ de zwarte en grijze zelfstandigheid der hersenen en zenuwknoopen, in het slijm j enz.; zeer kleine kogels treft men in de chyl, de lymphe, het speeksel en ook in de grijze zenuwmassa aan. De kogels, waaruit alle deelen van het embryo in den eersten tijd bestaan, zijn grooter dan de laatstgenoemde.

Zamengestelde kogelige ligchamen komen voor: 1. in voedingsvoebten, chyl en lymphe; 2. in afscheidingsvochten , en wel in de assimilatie- en voorttelingsvochten. Overal zijn het solide ligchamen, die in hunne eerste gedaante als kogelvormige aggregaten van elementaire korrels, die door eene taaije vloeistof verhonden zijn, voorkomen. Zij bezitten op dezen ontwikkelingstrap geene haren; wanneer zij vancenvallen of bersten, merkt men geen onderscheid tusschen het centrum en de peripherie op; evenzoo min ontdekt men een vlies, dat de korreltjes omgeeft. In het tweede tijdperk vertoont er zich echter eene kern, meestal in het centrum; zijdelings slechts bij drukking. Deze kern, nucleus, is kogelachtig, bleek, doorschiji nend, taai, en wordt des te grooter, naarmate de kogel meer zijn derde stadium I bereikt, liet aantal der korreltjes neemt namelijk af; de glasachtige stof, waarin zij opgenomen zijn, werdt duidelijker en het derde ontwikkelings-tijdperk is daar. ' De bast (peripherie) van den kogel doet zich nu als eene glasachtige, gelijkvormige laag voor, waarin zich nog enkele afgeplatte korreltjes bevinden. De kern bestaat uit moleculaire kogeltjes. De geheele kogel komt iets kleiner voor dan in zijne 1 vroegere tijdperken. De afzonderlijke bestanddeelen dezer zamengestelde kogels, en ■ 'le W1jze waarop zij zich na elkander vormen, heeft Arnoid gemeenschappelijk met BAüMGar.TNEn duidelijk aan de eijeren van kikvorschen en tritonen opgemerkt. Evenzoo de ontwikkelingstrappen der chylkogelljes. De bast is eenvoudig, structuur-

Sluiten