Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als cene bijzondere soort van hiertoe behoorende nadere vormbestanddcelen l;escbrijft ArNOLO nog de corpora cilinta s.vibratori«, flimmer-ligchaampj es, en ook de kristalachtige en aardachtigkorrelige opeenhoopingen. Hij neemt verder chemische en mechanische veranderingen aan, die met de metainorphosen gelijken tred houden, er in een bepaald verband mede staan, en ze gedeeltelijk kunnen verklaren. Overigens, zegt hij, is het meer dan waarschijnlijk, dat de grond van de vormen dezer ligchamen niet alléén daarin, maar ook in vitale eigenschappen dezer vormbestanddcelen zelve ligt. Aan deze laatste schrijft A. de vormveranderingen toe, waarvoor hij gecne andere oorzaak vinden kan, die ze voldoende verklaart, zoo als voor de plotselinge afplatting der slijmkogeltjes in de opperhuid, de vormveranderingen van de blocdkogclljes en van die van het zaad; terwijl hij daardoor tevens meent, dat de nadere bestanddeelen niet alleen metabolische, maar ook assimilatieve krachten bezitten, waardoor zij stoffen aantrekken, in zich opnemen, assimileren en veranderen.

Behalve deze plastische werkzaamheid, die aan alle nadere bestanddeelen eigen is, neemt men ook aan sommige bewegingen waar, geene willekeurige, maar organische, waartoe hij de iliinmer-beweging brengt en de merkwaardige gedaanteveranderingen van de ligchaampjes van versch bloed. Deze laatste bestaan in geene contractie en expansie, maar in menigvuldige buigingen, kronkelingen en krommingen van den gezwollen ring {Anatomie, pog. 103); ook de bewegingen der zaaddiertjes, die hem gedeeltelijk ook spontaan voorkomen, brengt hij tot deze rubriek. Deze bewegingen maken van de organische, moleculaire beweging den overgang tot de contractiliteit der celstof en door deze tot de contractiliteit der spieren uit.

Als naaste vormbestanddeelen neemt hij eindelijk aan: 1. bundels, 2. strooken, 3. vezels en 4. platen, die gevormd worden, doordien zich de nadere vormbestanddeelen óf lijnvormig aaneenrijgen (in het celweefsel, in het screuse, fibrcuse en elastische weef el, in vezelachlig kraakbeen, beenderen, in spier- en zenuwzelfstandigheid, in de nagels, haren en tanden), óf in den vorm eener vlakte nederzetten (ependyma der sereuse vliezen, epithelimn, epidermis), óf in den vorm van een ligchaam opeenhoopen(ware kraakheenderen, graauwe zenuwzelfstandigheid).

Martin Rarrt (Verg. Bericht ïtber die durch den Gebrnucli des Hlicroscops in dem Studium der Anatomie und Physiologie erhaltenen Resultate, den Ursprung und die Verrigtuiigen der Zeilen, von J. Paget u. . 1>. c,ARPEPiT£r, übers. von r. Melzer) wil alle weefsels uit de bloedbolletjes laten ontstaan, en wel uit de ongekleurde ligchaampjes; de bloedbolletjes zijn eerst cene schijf (cytoblast); uit deze schijf vormt zich een blaasje, en uit bet eenvoudige blaasje eene cel. De bloedbolletjes bezitten een kleurloos centraalgcdeelte, waaromheen de roode kleurstof geplaatst is. De grondvorm der liloedschijf is de elliptische, die eindelijk in de kogelvormige overgaat; maar daarbij vertoont zich, in plaats van deNroegere, kleurlooze uitholing in het midden, eene half vloeibare doorschijnende zelfstandigheid aan eene der zijden. Zij is de kern van het in cene cel veranderde bloedbolletje. Deze kern verdeelt zich weder in meerdere ligchaampjes, waaruit weder bloedschijven ontstaan; op die wijze ontstaan er uit de verdeeling eener schijf steeds weder nieuwe. Het oorspronkelijk klcurlooze centraalgcdeelte is de wezenlijke zelfstandigheid der strembare lymphe , en geeft de stof voor de vorming der weefsels af.

Sluiten