Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De splijtbare kernen der lymphe- en etterbolletjes komen hem namelijk niet als onvolkomen ineengesmolten voor, maar als vaneenvallende. Zij zouden in verscli getrokkene blaren en in bet begin der chijl- en watervaten eenvoudige blaasjes zijn, en eerst later kernen krijgen, die zich verdeden of splijten. Deze beschouwt K. als nieuwe kernen, die uit de oude door endogene vorming zijn ontstaan, om vel ligt later vrij te worden. Deze meening is echter, even als de tegenovergestelde van IIenle en Vogel, door de waarneming van II. Muller (z. o.) wederlegd. Kölliker heeft dan ook later (in het Zeitsclirift f. rat. Med. Bd. IV, p. 148) voor de zoogenaamde lymphe-ligchaampjes van het bloed met meer dan ééne kern zijn vroeger geuit gevoelen ingetrokken. Intusschen gelooft hij nog aan cene vermeerdering van de cellen der lymphe door verdeeling, of aan eene endogene voortplanting na voorafgegane verdeeling of endogene vermeerdering der kernen.

Hetgeen Kölliker's werk aan wezenlijke verrijking voor de algemeene histologie bevat, zijn, volgens IIenle, bijzonder de 2 volgende punten: 1. De ontdekking van de vorming van kernen in kernen, terwijl er tot nog toe slechts van endogene celvorming, dat is van de vorming van nieuwe kernen en cellen in moedercellen sprake was. Zij levert, met de waarnemingen van IIenle omtrent de ontwikkeling van kernen tot vezels, een nieuw bewijs op voor de hooge bcteekenis der kernen. Volgens IIenle komen er ook in pathologische gezwellen moederkernen voor, en met name in den caticer alveolaris. De dochterkernen vormen zich volgens K. om kernligchaampjes, want men vindt ronde kernen met éénen nucleolus, ovale met 2 nucleoli, en eindelijk ovale met 2 kernen. Of echter de dochterkernen zich terstond in hare volkomene grootte vormen, dan wel eerst het kernligchaampje digt omgeven, kon niet worden uitgemaakt; K. neemt het laatste aan. 2. De ontdekking van de verlenging, afsnoering en verdeeling der kernligchaampjes, waar zich twee endogene kernen willen ontwikkelen. K. gelooft niet, dat er zich, zoo als ScnwANN.en Schleiden aannamen, kernen om twee of drie kernligchaampjes vormen, maar neemt aan, dat de meervoudigheid der nucleoli steeds door de verdeeling van éénen oorspronkelijk cnkelvoudigen ontstaan is. Tegen de endogene vermeerdering der kernen na verdeeling der kernligchaampjes in de voringskogeltjes komt Bischoff op (EntwicJcelungsgesch. des Hundeeies,S. 45), wien het niet ééns gelukte, om de kernligchaampjes in de blaasvormige kernen der voringskogeltjes te vinden. Evenzoo zocht hij (t. a. p. S. G6) te vergeefs naar voorbeelden van endogene celvermeerdering in de kiemblaas van het hondenei; zeer zelden kwamen hem cellen met twee kernen voor.

II. Lcschka (Entwickeiungsgesch. der Formlestandth. des Eiters u. der Granulalionen, Freib. 1845) beschrijft de elementaire korreltjes, die de eerste vormelementen in den etter zijn, als volmaakt eenvoudige, meestal ronde, maar ook langwerpige ligchaampjes van eene matwitte of gele kleur, van onmeetbare kleinheid tot 0,0008—0,0009'" doormeting. Ilij meent, dat zij uit eene proteineverbinding bestaan, omdat zij zich in azijnzuur oplossen: dit is echter niet het geval; het azijnzuur doet ze slechts ineenloopen. II. Lebert [Physioloyie pntholooique. ou recherches cliniques , e.vpérimentales et microscopiques, 1,30, II, 505) is door nadenken tot de overtuiging gekomen, dat de elementaire korrelljes dikwijls georganiseerde cellen zijn, Melker vare natuur zich wegens de

Sluiten