Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(vermischte Schriften, p. 88, 258) en door Naegeii (Lirnaea, 1842, p. 252, Zeilschrift etc., 53, 67) waargenomen; volgens N. zoude bij Anthoceros de verdeeling door middel van een en tusschenwand plaats grijpen.

Voor de kernen tracht Kölliker (t. a. p. S. 194) aan te toonen, dat zij uit pyine bestaan. Cliondrine en pyine zouden de eenige stikstofhoudcnde zelfstandigheden, die in azijnzuur onoplosbaar zijn (de pisstof is echter ook in azijnzuur onoplosbaar); zelfstandigheden, die rijk aan kernen zijn, zoo als etter-granulatiën, onrijp bindweefsel leveren geene cliondrine, maar pyine. Misschien bestaat het omhulsel uit pyine, de inhoud uit eiwit. De kernen verdwijnen of gaan in nieuwe vormsels over, waartoe K. behalve de kernvezels ook de zaaddraden rekent. Van de wijze, waarop de kern verdwijnt, zag K. later (Naegeli in S c HI. EI IJ > Zcit s c h r. 1845, p. 78) een merkwaardig voorbeeld aan de zaadcellen der ascariden, die bij de bevruchting met ontwikkelde zaaddraden in de baarmoeder van het wijfje geraken en daar nog lang vertoeven. Eenige daarvan werden na de oplossing hunner cel steeds bleeker en grooter (tot 0.01 en 0,015'"): de andere omgeven zich inwendig met esn digt vet, dat op ééne plaats cene kringvormige opening overlaat; op deze plaats bersten de kernen en storten baren inhoud uil. Als eene waarneming, die eenigermate hiermede in verband kan gebragt worden, vermelden wij die van Zwick t [Die Metamorpliose des Thrombus 1845, p. 24), volgens welken er in de vezelstof van den thrombus eene soort van voorbijgaande conglomeraten ontstaat, zonder merkbaren invloed op de latere organisatie. Het zijn groote, donkere, moerbeiachtige opeenhoopingen van korreltjes, welke tusscbcn den 5—8slen dag bet eerst zigtbaar worden, en nadat zij 2—4 dagen in dezen vorm bestaan hebben, allengs weder in afzonderlijke korreltjes worden ontleed.

Henle zegt (Canstatt's Jaliresb. 1845, S. 10), dat hetgeen hij (p. 187 der Algemeene Ontleedkunde) tegen de algemeenheid van het voorkomen van kernen heeft aangevoerd, grootendeels zijn gewigt verloren heeft. In de plantencellen zijn de kernen ,met uitzondering van enkele phanerogamen, door Schleidem en Naegeli aangetoond. Schwann's kernloozecellen uitdeehorda dorsaliszijn waarschijnlijk groote kernen, even als ook de blaasjes, waaruit de zaaddraden ontstaan. In devoringskogeltjes ontbreken de kernen niet. Voor het voorafbestaan der kern, de vorming van den celwand om haar, en de daarop volgende uitzetting Tan dezen, spreekt volgens Köli.ikek (Zeitschr. f. ration. Med. Bd. IV, Ileft 1) en J. C. Fahrner [De globulorum sanguinis in mammalium embryonibus titqiie adultis origine, Diss. inautj. Turin) de ontwikkeling der bloedligehaampjes in het embryo en der lympheligchaampjes bij volwassenen. G. Vogel (pathologische Anatom.d. menschl. Körp.) beschrijft herhaaldelijk op deze wijze de vorming der etterligchaampjes en korreltjescellen, terwijl hij slechts het voorafbestaan van kernligchaampjes vóór de kern ontkent. G. Heldert [De exunthematibus arte factis fragmenta; Diss.inaug. Gölt. 1844, pag. 12) voegt zich bij liem. ook in zoo verre als hij de kern der ctterbolletjes uit twee en meerdere moleculaire korreltjes laat ontstaan, die zich aaneenvoegen. Tfl. F. G.Scdiemm [De hepate ac bile crustaceorum et molluscorum guorundam, Diss. inavg. 1844, p. 15) vindt in den bodem der leverkanalen bij schaaldieren de kernen, die zich later met cellen omgeven. J. SlMON [a physioloijical essny on the thymns glund. 1815, p. 70, 7G) houdt de kernen

Sluiten