Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan zou volgens Paèvost en Lebert (Ann. d. scienc. nat. 1844, Avril, p. 196) bij den kikvorsch de cel vroeger dan de kern ontstaan. C. Ludwig (Wagner's Handwörterb. II, S. 631) schijnt deie wijze van ontwikkeling, zonder er een bepaald gewigt op te leggen, voor de niercellen aan te nemen, wanneer hij opgeeft, dat de grootere cellen cene kern bevatten, terwijl de kleinere haar missen. K. II. ÜAüMGaRTNER (ISeue Untersuohungen in den Gebieten der Physiologie und der praktischen Heilkunde, 1845, p. 139) zegt van de voringskogeltjes van den kikvorsch, dat de kernen eerst allengs in de kleinere, kogelige massa's ontstaan, waarin de stof door de klievingen verdeeld wordt, en COSTE (Comptes rendus, 1845, 20 Oct.) meent ook, dat met name in de chorda dorsalis van den kikvorsch de nucleolus dikwijls eerst na de kern, de kern eerst binnen in de cel te voorschijn komt. Het stelligste en in de grootste uitgestrektheid maakt Rabsten (De cella vitali, 1844, p. 47) dit ontwikkelings-bcginsel geldend, daar hij kern en kernligchaampje beide juist voor endogene vormsels verklaart; in het bijzonder verklaart hij, in tegenspraak met de opgave van 11. Wagner, in wicn Scdwann een hoofdsteun zijner theorie gevonden heeft, dat het dojervlies der insekleneijeren in den eijerstok vroeger aanwezig is dan het kiemblaasje. AVat de vorming van het celvlies betreft, meent Karsten, dat de cellen door uitzetting van amorphe korreltjes der organische stof zouden ontstaan. Zijne waarnemingen, zegt Dr. Metteniüs (in Canstatt's Jahresb., 1815, Bd.I, S. 43,)werden doorniemand bevestigd. M. toonde wel is waar aan, dat in de haarcellen van Salvinia natans de chlorophyllum-korrels zich binnen in blaasjes vormen, die door uitzetting van zeer kleine korrels ontstaan, maar rekent ze juist daarom (Beitriige c. Kenntn. d. Rliizocarpeên, 1846, p. 51, 52) lot den inhoud der cellen, en gelooft ze zeker van de eigenlijke cellen te moeten onderscheiden.

Bij de pathologische cclvorming hebben Günmer (t. a. p. I, 206), Lus ciiKA(t. a. p. p. 3), Lebert (t. a. p. I, 34) en Brücii (Zeitschr. f. rationelle Medizin, IV, 21). de vorming der kern binnen de cel waargenomen. GürmiER drukt zich eenigzins onduidelijk uit: de etterligchaampjes ontstaan uit aaneengeklecfde moleculaire korreltjes, uit welker bindmiddel zich naar buiten door verdikking een fijn vlies vormt, waarna ook de celkern gevormd is. Ldschka zegt, dat in de korrelige ligchaampjes, die door opeenhooping van de moleculaire korreltjes in den etter ontstaan, ééne of meer kernen zigtbaar worden, terwijl de overige massa homogeen en eiwitachlig wordt. Van de ontstekings-kogeltjes merkt Lebert slechts in het voorbijgaan op, dat de kern zich binnen in de kogeltjes ontwikkelt. Brdch heeft op dit proces zijne bijzondere opmerkzaamheid gevestigd en in een groot aantal van pathologische producten de ontwikkeling der korreltjes-cellen aangetoond als »vorming van eene kern binnen in een hoopje korreltjes met latere vorming van een vlies buiten om denzelven." De oorspronkelijke hoopjes van korreltjes ontstaan door de eenvoudige aanccnkleving van vrije, in eenc vloeistof zwemmende elementaire korrels.

Eene nieuwe, hoewel met de vorigen in eenige opzigten verwante theorie der celvorming is die, welke II. MültER (Zeitschr. f. rat. Med. 111, 239) voor de lymphe- en etterligchaampjes heeft gegeven, en volgens welke het aanvankelijk homogene ligebaampje in kern en omhulsel zou worden gesplitst, doordien zich

Sluiten