Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tc gelijker tijd vertoonen zich kern en cel bleeker van kleur en betrekkelijk dikker, doch niet zeer kogelig. In de diepere lagen zijn de kernen bleek roodachtig. De kernen der diepe lagen meten 0,0023—0,0032 ", de kleinste cellen 0,0030'". Op de tong vond ik de schubjes op de oppervlakte 0,018—0,052"' breed, de doormeting der kernen 0,0020—0,0042'"; in de nabijheid der cutis bezitten de cellen 0,009—0,014 ", de kernen 0,0020—0,0027"'; in de onderste laag de cellen 0,0044 ", de kernen 0,0015—0,0022'" doormeting. Zoowel kernen als cellen nemen derhalve van onderen naar boven in omvang toe, doch de laatsten ongelijk veel sneller. Eene loodregte doorsnede van het laagsgewijs epithelium, of, hetgeen hetzelfde is, de beschouwing der geplooide en zamengeperste opperhuid in profil (PI. I, fig. 7), vertoont aan den vrijen rand, zoover als de platte cellen liggen, digte en met den rand evenwijdige strepen en platte kernen; verder naar beneden worden de cellen en kernen hooger en gelijktijdig kleiner. Door drukking kan men de eene laag na de andere afscheiden. Somtijds komen er in de onderste lagen ook kernen voor, zonder omhullende cellen; zij liggen vrij in eene korrelige of heldere zelfstandigheid (PI. I, fig. 7,b): deze kernen zijn moeijelijk af te scheiden, en wanneer het gelukt, dan zijn zij óf naakt óf met een onregelmatig klompje der heldere (tusschencel-) stof omgeven. Ook kwamen mij kernen voor, die korrelig en door eene inscheuring gespleten waren (PI. I, fig. 7, a).

Aan het tandvleesch achter de tanden heeft het epithelium, daargelaten de zenuwtepeltjes, welke tot nagenoeg onder zijne oppervlakte doordringen, eene dikte van 0,148'", aan het verhemelte van 0,092 ". Op deze plaatsen kan men, even als van de uitwendige huid, dunne lagen van hetzelve afsnijden, welke vast, als kraakbeen, glad en glasachtig helder zijn. Volkomen waterhelder is het epithelium ook op het hoornvlies; maar het wordt terstond na den dood, door opslorping van vloeistof of door stremming, wit en troebel, en doet zich dan als een slijm voor, dat het oog bedekt. Door indooping van het oog in kokend water wordt het epithelium eveneens troebel en kan dan gemakkelijk van het hoornvlies, dat helder blijft, worden gescheiden (Peters (1)). De afgestootene cellen, welke zich

(1) miiller's Archiv, 1837, s. XXX.

Sluiten