Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trechtervormige inmondingen aan de oppervlakte der huid gingen korte, elastische en holle draden uit, welke aan de afgetrokkene opperhuid vastzaten, en aan de cutis merkte men de openingen op, waaruit de draden uitgetrokken waren. Deze rollen zich zamen en leggen zich voor de opening, waardoor men aan de afgetrokkene huid geene openingen vinden kon. Deze holle draden echter bestaan slechts, even als de scheeden der haren, uit fijne cellen, welke met die van de onderste laag der epidermis of van het rete Malpighii overeenkomen, en bij het mikroskopisch onderzoek wordt het duidelijk, dat zij onmiddellijk voortzettingen zijn der laatste en dien ten gevolge de overtreksels zijn, die de opperhuid in de kanalen der cutis vormt. Zoo daalt derhalve de opperhuid ten minste in de uitlozingsbuizen der klieren af; hoe het met haar in de klieren zelve gelegen zij, zal het onderwerp van latere beschouwingen uitmaken.

2. CYLINDER-EPITHEL1UM.

Indien men zich voorstelt, dat de oorspronkelijke, ronde epitheliumcel, die de kern digt omgeeft, slechts in ééne rigting, loodregt op de oppervlakte der huid en wel naar boven en onderen van de kern uitgroeit, dan verkrijgt men den vorm der cylinder-epitheliumcellen. In het menschelijk ligchaam ontwikkelt de cel zich steeds zoo, dat zij zich naar onderen in een puntig, naar boven in een dwars, zelden scheef afgeknot prisma verlengt, en dat de kern ongeveer in het midden van de hoogte van het ligchaampje komt te liggen. De gedaante der geheele cel wordt daardoor kegelvormig, naar onderen toegespitst. De eindvlakte is plat of eenigzins bol, nu eens rondachtig, dan weder polygonaal, 4-, 5- of 6hoekig, en het prisma daarmede overeenkomstig nu eens volkomen rond, dan weder aan het bovenste, breede gedeelte 4- tot Ghoekig. Dikwijls is het prisma in de omstreek der kern nog zoo wijd, dat de randen der kern de zijdelingsche omtrekken van het prisma niet bereiken of slechts even aanraken, en dan ziet men ook somtijds, wanneer de cel zich wentelt, dat de kern in haren wand ligt. Menigvuldiger vormt de kern eene opzwelling, waaronder en waarboven de cel als het ware ingesnoerd schijnt. De kern is rond of ovaal. In

Sluiten