Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der opperhuid noemen, als hare vaten de stof opleveren, waaruit de opperhuid ontstaat en groeit. De opperhuid voedt zich slechts door zich te doortrekken met het bloedvocht, dat de wanden van de haarvaten der cutis doorlaten. De opperhuid zelve heeft geene vaten; daarin komen nagenoeg alle waarnemers overeen; en wanneer het hier of daar anders gevonden werd, dan liet zich de oorzaak der dwaling aantoonen (i).

Daar het voedingsvocht de epidermis aan hare ondervlakte toestroomt, zoo grijpt ook aan de ondervlakte hare regeneratie plaats. !\laar niet alleen de vorming van nieuwe cellen, ook de verdere ontwikkeling en voeding der gevormde cellen berust op deze bevochtiging, en dat is eene reden te meer voor de afhankelijkheid der opperhuid van de vaatrijke matrix. Indien zich bij oppervlakkige ontstekingen der matrix een ziekelijk exsudaat tusschen de leder- en opperhuid vormt, dan sterft deze laatste. Wanneer het exsudaat aanmerkelijk is, dan wordt de opperhuid door hetzelve in blazen of puistjes opgeligt, die óf doorbreken, waarbij de vloeistof afvloeit en de lapjes der opperhuid verdroogen, óf zich met hunnen inhoud in korsten veranderen en afvallen. Reeds bij eene onmerkbaar geringe uitzweeting sterft de epidermis en wordt zij uit het exsudaat op nieuw gevormd, en daarop berust de desquamatie na roosvormige ontstekingen der huid. Aan den anderen kant wordt de ontwikkeling der epidermis begunstigd door geringe en dikwijls herhaalde congestiën in de matrix. Op die wijze wordt eene hevige prikkeling de voorwaarde voor het verlies der epidermis, en eene aanhoudende en ligte drukking verdikt haar tot eelt. Zij wordt niet alleen spoediger voortgebragt, maar elke laag van cellen blijft ook langer bestaan, en verdraagt eene verdere verwijdering van de voedende oppervlakte. In het belang der huidziekten is het raadzaam, deze twee momenten wel van elkander te onder-

(1) In den jongstcn tijd heeft J. MüLlEn (z. zijn Archiv, 1834, S. 30) eene waarneming van Schultze medegedeeld, volgens welke er zich aan de binnenzijde der epidermis een vaatnet bevinden zou, dat met het mikroskoop zou zijn aan te toonen, en hetwelk Schultze door inspuiting met ongekleurde terpentijnolie en indompeling van den opgespoten arm in heet water wilde hebben bereid. Hier werden de netvormige tusschenruimtcn tusschen de celkernen voor een haar vatennet aangezien.

Sluiten