Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

togène (|>. 323) zou op de uitwendige oppervlakte der Jiuid in liare voren ligSen; het zou van een sponsachtig, vast maaksel en zeer vaatrijk zijn, en van deszelfs oppervlakte zouden talrijke korte uitlozingshuizen uitgaan, die in den bodem der voren zouden eindigen. Zoo men het weefsel verscheurt, zou men eene menigte van fijne draden vinden, waaruit kleurlooze schubjes of ligchaampjes in «ene groote menigte te voorschijn treden. Kennelijk werden hier de bindweefseldraden van de bovenste laag der c'utis en de onderste en fijnste cellen der opperhuid in verbinding met elkander en als eene aaneenhangende laag bereid. Dat de cellen in de draden bevat geweest zouden zijn, is zeker geen resultaat der waarneming. Ook aan de geïsoleerde zweetkanalen hebben Brescdet en Rodssee de Vaczème de ■'jne cellen van het rete Mulpigliii gezien. Hare oppervlakte zou met hoornstof bedekt zijn, die dakpanvormig over een centraal kanaal zou liggen; zoo men ze onder het glas beweegt, zou er zich eene menigte van onregelmatige, polygonale schubjes van haar afscheiden (p. 193). In de afbeelding PI. X, Fig.°lÖ, zijn zelfs aan de meeste schubjes de kernen duidelijk opgegeven. Moeijelijker zijn de schubjes le verklaren, waaruit het weefsel der opperhuid zelf zou bestaan, ligchaampjes, die in het algemeen den vorm van een onregelmatig trapezium en eene zekere dikte bezitten, die gestreept, wit en doorschijnend zijn, even als dakpannen over elkander been op een celachtig weefsel liggen, en reeds met de loep zigtbaar zijn (p. 329). De schubjes zouden bij verschillende rassen eenen verschillenden vorm bezitten, en daarvan het onderscheid in kleur der rassen afhankelijk zijn (p. 341).

Het netvormig, met het plantencelweefsel overeenkomstig aanzien der epidermi werd door Gdblt opgemerkt. (Müleer's Archiv, 1835, S. 405', Taf. X, Fig. 3 ) Juiste, maar met verkeerde uitleggingen vermengde waarnemingen worden bij Trevirakos gevonden. (Beitrage, Ileft 2, 1835, S. 85. Verg. de afbeeldingen Heft 4.) De opperhuid van den mensch zou homogeen zijn, met vezels doorweven, die een netwerk vormen. Daarentegen kwamen er bij den kikvorsch op de uitwendige huid onregelmatige vijfhoeken voor, met eene kleine, donker gestippelde kringswijze vlakte in het midden. De omtrekken der cellen werden dikwijls voor haarvaatuetten aangezien, b. v. aan de binnenvlakte van het hoornvlies (S. 101, Fig. 80).

Berhes geeft op Taf. IV, I'Jg. 14 , zijner Anatomie der iniJerosïeopische?i Gelilde (1836) de afbeelding van een blaadje hoornstof, waaraan men wel sommige cellen en in haar ingeslotene kogeltjes bij eene opmerkzame beschouwing erkent; echter zijn er ook cellen met 2 en 3 kogeltjes naast elkander geteekend , en kogeltjes zonder eene cel, die ze omgeeft. Daar het geheel volstrekt niet het karakter van epidermisblaadjes beeft en voor de vergrooting (150 diam.) veel te klein is moet men twijfelen, of de overeenkomst van den vorm wel meer dan toevallig is. Eene andere afbeelding (t. a. p. Taf. Vil, Fig. 9, 10) stelt de inbuigingen der opperhuid voor, die bestemd zijn om de tasttepeltjes op te nemen, alsmede de haarscheeden aan de binnenzijde. In de groeven schijnen de kleine cellen van het rete Mal/iic/Iiii aangeduid te zijn. Figuur 11 van dezelfde plaat, maaksel der opperhuid bij 540voudige vergrooting, vertoont een zeer onduidelijk vezelig weefsel. Als tasttepeltjes der eonjunctiva hulli (Taf. XIII, Fig. 3, b, c) zijn zonder

Sluiten